Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2170

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443907 / KG ZA 26-11
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering nakoming zorgregeling en verwijzing naar jeugd(hulp)traject

Partijen zijn gescheiden en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over hun minderjarige kind. Na een incident in september 2025 is het contact tussen de vader en het kind verbroken. De moeder vordert in kort geding nakoming van de zorgregeling uit het ouderschapsplan, terwijl de vader verweer voert en in reconventie een beschermingsonderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming vordert.

De voorzieningenrechter constateert een schrijnende situatie waarin het kind haar vader mist en er sprake is van groot wantrouwen tussen ouders. Een eerder hulpverleningstraject is gestrand. De rechter verwijst partijen naar een passend (jeugd)hulpverleningstraject via het zorgloket van de gemeente, met als doel het verbeteren van oudercommunicatie en het herstel van het contact tussen vader en kind.

De vorderingen worden afgewezen omdat partijen hebben afgesproken onder begeleiding van hulpverlening te werken aan verbetering. De vader heeft toegezegd wekelijks contact met het kind te onderhouden. De Raad wordt verzocht een onderzoek te verrichten indien het hulpverleningstraject niet succesvol is, met rapportage in de bodemprocedure. Proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten.

Uitkomst: De vorderingen tot nakoming van de zorgregeling worden afgewezen en partijen worden verwezen naar een jeugd(hulp)traject.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/443907 / KG ZA 26-11
Vonnis in kort geding van 13 maart 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. M.M.M. Heesmans te Roosendaal.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met bijlagen;
- de brief van mr. Bronsveld d.d. 3 maart 2026 met aanvullende producties.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak op 4 maart 2026 tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover afzonderlijk een gesprek gevoerd met de voorzieningenrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn gehuwd geweest. Voorafgaand aan dit huwelijk is uit de affectieve relatie van partijen het navolgende thans nog minderjarige kind geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2012.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam d.d. 26 november 2024 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan, welke door partijen is ondertekend op 15 oktober 2024, deel uitmaken van deze beschikking. In dit ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat [minderjarige] het hoofdverblijf bij de vrouw heeft en dat de volgende zorgregeling zal gelden, waarmee zij in onderling overleg flexibel zullen omgaan:
Tevens is in dit ouderschapsplan opgenomen dat partijen ernaar zullen streven om de vakanties evenredig te verdelen:
  • In de voorjaarsvakantie verblijft [minderjarige] bij de vrouw, waarbij de weekendregeling wordt aangehouden;
  • In de meivakantie vindt de regeling in overleg plaats. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan wordt de vakantie bij helfte verdeeld. Daar waar [minderjarige] in het weekend verblijft gaat de vakantie van start, waarbij de wisseling plaatsvindt op vrijdag 17:00 uur;
  • In de zomervakantie verblijft [minderjarige] in de 2e en 3e week bij de ene partij en in de 4e en 5e week bij de andere partij in overleg te bepalen, waarbij de wisseling plaatsvindt op vrijdag 17:00 uur;
  • In de herfstvakantie verblijft [minderjarige] bij de man, waarbij de weekendregeling wordt aangehouden;
  • In de kerstvakantie blijft de weekendregeling van kracht, waarbij deze opgesplitst wordt op basis van 50%-50%, zodat ieder der partijen met vakantie kan gaan met [minderjarige] . Gaan zij niet met vakantie, dan geldt de volgende regeling:
  • Kerstavond en kerstdagen in overleg bij helfte te verdelen;
  • Oudejaarsavond en opvolgende nacht in het oneven jaar bij de vrouw en het even jaar bij de man.

3.Het geschil in conventie en reconventie

3.1.
De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de man te veroordelen uitvoering te geven aan de omgangsregeling zoals die is vastgelegd in het ouderschapsplan van 15 oktober 2024, specifiek zoals verwoord onder paragraaf 4.1 t/m 4.15, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 10.000,- dat de man weigerachtig is zijn medewerking hieraan te verlenen en uitvoering daaraan te geven, onder veroordeling van de man in de kosten van de onderhavige procedure.
3.2.
Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, gesteld dat het haar niet lukt om het contact tussen de man en [minderjarige] , dat naar aanleiding van een onderling conflict sinds eind september 2025 is verbroken, te herstellen. [minderjarige] mist haar vader enorm en wil graag weer in contact komen met haar vader en zijn nieuwe gezin. De man geeft hier geen gehoor aan. Hij wil dit alleen onder begeleiding van hulpverlening. Dit traject is ingezet, maar voor de vrouw is niet duidelijk waarom dit traject is gestagneerd. De vrouw ziet geen andere mogelijkheid dan in een kort geding het contact en daarmee nakoming van de zorgregeling af te dwingen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven te erkennen dat de communicatie tussen partijen verbetering behoeft. Zij is dan ook bereid om met de man hiervoor een hulpverleningstraject aan te gaan en zegt daarbij toe om zo spoedig mogelijk een bodemprocedure aanhangig te maken zodat in die procedure hierover gerapporteerd kan worden door de zorgaanbieder. Daarnaast staat de vrouw achter de tussen partijen gemaakte afspraken om in afwachting van dit traject op een laagdrempelige manier alvast wekelijks een 1-op-1-moment tussen de man en [minderjarige] te laten plaatsvinden.
3.3.
De man voert verweer tegen de vordering van de vrouw in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vordering dan wel tot afwijzing van die vordering.
In reconventie vordert de man bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken een beschermingsonderzoek uit te voeren.
3.4.
Ter onderbouwing van zijn verweer en vordering voert de man, kort samengevat, het navolgende aan. De man wil niets liever dan contact hebben met zijn dochter en erkent dat er een oplossing moet komen. Het contact tussen de man en [minderjarige] moet hersteld worden. De man vindt wel dat dit onder begeleiding van hulpverlening moet gaan gebeuren, gezien zijn zorgen over de sturing van [minderjarige] door de vrouw en de uitspraken die [minderjarige] over de man heeft gedaan. Hij is erg van geschrokken van de berichtjes die [minderjarige] op social media heeft geplaatst en dat Veilig Thuis is ingeschakeld. De man maakt zich ernstige zorgen over het welzijn van [minderjarige] , voelt zich hierin machteloos en heeft het gevoel niets goed te kunnen doen. Er heerst een groot wantrouwen tussen ouders, terwijl hij na de scheiding altijd heeft geprobeerd mee te bewegen met de vrouw. Hij kan zich erin vinden dat er passende hulpverlening wordt ingezet en dat partijen door de voorzieningenrechter hiervoor worden verwezen naar het zorgloket van de gemeente. Zoals afgesproken zal hij zo spoedig mogelijk contact opnemen met [minderjarige] om met haar op zondag 8 maart 2026 een eerste 1-op-1-momentje af te spreken. De man zegt toe hier een structureel vervolg aan te geven.
3.5.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast.
4.2
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
4.3
Tijdens de mondelinge behandeling van 4 maart 2026 heeft de Raad geconstateerd dat er sprake is van een zeer schrijnende situatie. [minderjarige] mist haar vader. Zij voelt zich niet gehoord en gezien door haar vader en buitengesloten van zijn nieuwe gezin. De Raad vindt de inzet van hulpverlening in deze situatie dringend nodig. Omdat er sprake is van systemische problematiek dienen beide ouders hierbij betrokken worden. In het traject dat eerder is ingezet bij Samen Scheiden lag de focus alleen op het contact tussen de man en [minderjarige] . Beide ouders moeten namelijk ook samen aan de slag en gaan werken aan het verbeteren van de oudercommunicatie, die op dit moment via [minderjarige] verloopt. Daarnaast moet ingezet worden op herstel van het ouder/kindcontact. De Raad staat achter een verwijzing van partijen naar het Uniform Hulpaanbod, maar betwijfelt of Samen Scheiden de juiste hulpverlening voor dit alles kan bieden. Het is aan het zorgloket om op zoek te gaan naar passende hulpverlening die aansluit bij wat ouders en [minderjarige] nodig hebben. De Raad acht in het belang van [minderjarige] dat zo snel mogelijk het contact tussen de man en [minderjarige] wordt hervat. De deur staat nu nog open bij [minderjarige] , maar dit kan zomaar veranderen als dit contact nog langer uitblijft. Het is belangrijk om dit op een zeer laagdrempelige manier op te pakken, waarbij de focus in het contact op het hier en nu moet liggen en niet op het verleden.
4.4
De voorzieningenrechter stelt vast dat er sprake is van een zeer verdrietige situatie. Na een incident tussen [minderjarige] en haar vader is sinds september 2025 het contact tussen hen verbroken. Zowel [minderjarige] als de man hebben naar de voorzieningenrechter uitgesproken elkaar enorm te missen, maar het lukt hen niet om dit contact te herstellen. Door alles wat er in de afgelopen periode heeft afgespeeld, is er een groot wantrouwen ontstaan tussen partijen. Zij zijn op dit moment niet in staat om de situatie te doorbreken en om in onderling overleg tot een oplossing te komen. Eerder is een traject bij Samen Scheiden ingezet, dat uitsluitend gericht was op het contact tussen de man en [minderjarige] . Dit traject is om onduidelijke redenen geëindigd en heeft dan ook niet gebracht wat iedereen ervan hoopte.
4.5
De voorzieningenrechter vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en [minderjarige] een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de voorzieningenrechter hen en hun minderjarige kind voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op 4 maart 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Dit vonnis geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.6
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.7
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de voorzieningenrechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte / zware/systeemgerichte interventie);
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- de nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van het kind.
De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan dit vonnis gehecht (bijlage 1).
Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
4.8
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd.
4.9
De vrouw heeft aangekondigd een bodemprocedure te zullen starten.
4.1
Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject wordt standaard een termijn van 6 maanden aangehouden. Gelet hierop verzoekt de voorzieningenrechter het loket om de volledige UHA-rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in de nog aanhangig te maken bodemprocedure in te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
4.11
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot het kind.
4.12
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de voorzieningenrechter het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.13
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.14
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de voorzieningenrechter de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de nog aanhangig te maken bodemprocedure een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- In hoeverre komt een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
door de ouders tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
-welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn
gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
4.15
Dit vonnis is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.16
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van 14 dagen op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.17
De voorzieningenrechter verzoekt de vrouw bij het aanhangig maken van de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van ouders naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA door middel van de vermelding
UHA in KG met zaaknummer C/02/443907 / KG ZA 26-11 d.d. 13 maart 2026;
4.18
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
4.19
De voorzieningenrechter zal de vorderingen zoals die in conventie en reconventie zijn gedaan afwijzen, nu partijen overeengekomen zijn om onder begeleiding van hulpverlening te gaan werken aan het verbeteren van hun communicatie. Daarnaast hebben partijen afgesproken dat de man na afloop van de zitting [minderjarige] zal bellen om met haar een afspraak te maken om op zondag 8 maart samen iets leuks te gaan doen. De man heeft daarbij toegezegd hier een structureel, wekelijks, vervolg aan te geven. Hij zal hiertoe het initiatief nemen en dit in onderling overleg met [minderjarige] nader plannen. Belangrijk hierbij is dat dit contact in afwachting van de in te zetten hulpverlening op een laagdrempelige en ongedwongen manier wordt vormgegeven.
4.2
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst af de vorderingen in conventie en reconventie;
5.2
verwijst ouders en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal ouders en kind vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.2
verzoekt het loket om uiterlijk op
15 september 2026 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, in de nog aanhangig te maken bodemprocedure de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;
5.3
verzoekt de vrouw bij het aanhangig maken van de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van partijen naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA door middel van vermelding “
UHA in KG met zaaknummer C/02/443907 / KG ZA 26-11 d.d. 13 maart 2026”;
5.4
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.5
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.6
verzoekt de Raad, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de nog aanhangig te maken bodemprocedure onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.14 opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.7
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen;
5.8
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Verschoor-Bergsma, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026 in tegenwoordigheid van Bakker-Maljers, griffier.