De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen en een machtiging tot uithuisplaatsing van een van hen. De kinderrechter heeft op 10 maart 2026 een zitting met gesloten deuren gehouden waarbij ouders, de GI, de grootvader en de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig waren. De minderjarige die kon spreken, gaf aan het goed te hebben bij opa en geen contact met de vader te missen.
De feiten tonen aan dat de ondertoezichtstelling sinds april 2024 van kracht is en meerdere malen is verlengd. De machtiging tot uithuisplaatsing van de jongste minderjarige is ook meerdere keren verlengd en zij verblijft momenteel bij haar grootvader moederszijde. De GI verzoekt verlenging van de ondertoezichtstelling en een brede machtiging voor verblijf bij een jeugdhulpaanbieder en weekendopvang bij opa.
De moeder erkent de noodzaak van verlenging maar mist regie van de GI. De vader wil contact met de kinderen en is bereid samen te werken. De grootvader benadrukt de zorgbehoefte van de jongste minderjarige en het belang van goede informatievoorziening. De Raad adviseert toewijzing vanwege aanhoudende ontwikkelingsbedreigingen en zorgbehoeften.
De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is vanwege de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen en de noodzaak van professionele ondersteuning. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend voor verblijf bij de jeugdhulpaanbieder en weekendopvang bij opa. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en ingeschreven in het gezagsregister.