ECLI:NL:RBZWB:2026:2174

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
C/02/445365 / JE RK 26-312
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BWArt. 1:265j lid 3 BWArt. 7 lid 1 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in pleegzorg

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die in een pleeggezin verblijft. De ouders, die het ouderlijk gezag hebben, wonen in België en weigeren tot op heden samen te werken met de GI, waardoor de noodzakelijke doelen voor de minderjarige niet worden bereikt.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werd ook de mening van de minderjarige gehoord, die aangaf bij de pleegouders te willen blijven wonen. De pleegouders bevestigden dat de minderjarige zich beter voelt en actief is in sport en behandeling. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de verlenging toe te wijzen vanwege de zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige en de moeizame samenwerking tussen ouders en GI.

De kinderrechter oordeelde dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is. Op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag is Nederlands recht van toepassing. De kinderrechter concludeerde dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld en wees het verzoek van de GI toe voor de duur van een jaar. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het gezagsregister aangetekend.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445365 / JE RK 26-312
Datum uitspraak: 16 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] (België), hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder], hierna te noemen de moeder,
en
[de vader], hierna te noemen de vader,
samen te noemen de ouders,
wonende in [plaats] (België),
advocaat mr. L.T.C.M. Geurts uit 's-Gravenhage,
[pleegouder 1] en [pleegouder 2], hierna te noemen de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- beide ouders met hun advocaat;
- een tweetal vertegenwoordig(st)ers van de GI;
  • de pleegvader;
  • een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van 25 januari 2024 is, voor zover hier van belang, [minderjarige] , zonder voorafgaand horen van de belanghebbenden, voorlopig onder toezicht van de GI gesteld tot 8 februari 2024.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 2 februari 2024 is de beschikking van
25 januari 2024 bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van de kinderrechter onderworpen,
en is de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 25 april 2024.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 22 maart 2024 is voor
[minderjarige] , zonder het voorafgaand horen van belanghebbenden, een spoedmachtiging tot
uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder of een voorziening voor
pleegzorg verleend voor de duur van twee weken met ingang van 22 maart 2024 en tot
5 april 2024, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van 27 maart 2024 is de machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie voor een jeugdhulpaanbieder
of een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 5 april 2024 en tot 25 april
2024.
2.6.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 april 2024
[minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 19 april 2024 en tot
19 april 2025. Tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een
voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 19 april 2024 en tot 19 oktober 2024.
2.7
Deze maatregelen zijn voor het laatst bij beschikking van 9 april 2025 verlengd tot 19 april 2026.
2.8
Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI vindt verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders noodzakelijk. Tot op heden lukt het niet om met de ouders tot een samenwerking te komen om zodoende te werken aan de doelen die in het kader van de ondertoezichtstelling zijn gesteld. Ondanks de vele pogingen blijven ouders weigeren om met de GI in gesprek te gaan. De GI staat nog altijd open voor een gesprek, maar stelt daarbij als voorwaarde dat dit gesprek face-to-face en op een acceptabele wijze plaatsvindt. Vanwege de grensoverschrijdende houding van de ouders is er ook geen contact meer tussen pleegzorg en de ouders. Ouders reageren niet meer op de wekelijkse informatiemails over [minderjarige] die vanuit pleegzorg worden verstuurd. Als er contact moet zijn, wil pleegzorg eerst samen met de GI en ouders in gesprek. Voorts benoemt de GI dat er momenteel rondom [minderjarige] veel aan de gang is. De behandeling bij [hulpverlening] gaat de goede kant op. [minderjarige] lijkt zich meer open te stellen, waardoor behandeling kan plaatsvinden. Ook lijkt [minderjarige] , na wat aversie, haar draai te hebben gevonden bij [sportbegeleiding] . De komende tijd wordt er gezocht naar een passende school of dagbesteding.
4.2.
De moeder vertelt dat de ouders [minderjarige] voor het laatst hebben gezien tijdens de uitvaart van opa. [persoon] heeft toen aangegeven te willen overnachten bij de ouders. De ouders vinden het lastig om hierop te reageren, omdat zij bang zijn in de problemen te komen. De ouders hebben veel vragen, er is voor hen veel onduidelijk. Zij zouden graag zien dat de pleegouders de ouders betrekken bij zaken die spelen rondom [minderjarige] . De ouders hebben immers het gezag over haar en willen dus meebeslissen. Ten aanzien van de samenwerking met de GI stelt de moeder dat de GI alleen in gesprek wil gaan op haar kantoor. De ouders weigeren een voet binnen dit kantoor te zetten. Dat is erg jammer voor [minderjarige] , want de moeder heeft alles over voor haar dochter. Als [minderjarige] bij pleegouders wil blijven wonen, gaat moeder akkoord met de verzoeken van de GI. Zij wil dit wel graag van haarzelf horen. Tevens moet er aandacht komen voor de samenwerking met de GI. De communicatie loopt echt niet goed. Een direct contact met pleegouders is misschien beter.
4.3.
De pleegvader benoemt dat [minderjarige] vorig jaar erg overvraagd werd. Ze had geen plezier op school en vond geen aansluiting bij een vriendengroep. Inmiddels zit zij beter in haar vel en is zij actief aan het sporten bij [sportbegeleiding] . [minderjarige] heeft een goede klik met de pleegmoeder. De pleegvader hoopt dat [minderjarige] de positieve ervaringen kan vasthouden. In de komende tijd zal gezocht worden naar een opleiding die goed bij haar aansluit.
4.4.
De Raad is op grond van artikel 1:265j lid 3 BW verzocht om een advies te geven over de verzoeken van de GI. Omdat dit niet eerder is gelukt, adviseert de Raad ter zitting. De Raad stelt vast dat er best wel wat zorgen zijn over [minderjarige] en vindt het fijn om te horen dat er ontwikkeling in zit. Er is sprake van een moeizame samenwerking tussen de GI en de ouders. Dit valt te betreuren voor [minderjarige] , want deze situatie blijft voortduren. De Raad gaat binnenkort een onderzoek starten naar het gezag en acht het in het belang van [minderjarige] dat in de tussentijd haar plek bij de pleegouders gewaarborgd blijft met een daartoe strekkende machtiging. De Raad adviseert de verzoeken van de GI toe te wijzen.
4.5.
[minderjarige] heeft de kinderrechter verteld dat zij niet meer bij haar ouders wil wonen. Zij wil in het pleeggezin blijven.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De kinderrechter constateert dat de ouders en [minderjarige] de Belgische nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
5.2.
Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de
ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied
waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het
gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe.
5.3.
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe. Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.5.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat het tot op heden de ouders en de GI niet lukt om tot een samenwerking te komen om zodoende te werken aan de doelen die in het kader van de ondertoezichtstelling zijn gesteld. Op zich gaat het momenteel goed met [minderjarige] , al spelen er wel veel zaken rondom haar. Zij lijkt zich meer open te stellen naar haar behandelaar, waardoor behandeling kan plaatsvinden. Daarnaast heeft zij haar draai gevonden bij [sportbegeleiding] en is zij actief aan het sporten. Tevens wordt er gezocht naar een school die goed aansluit bij de mogelijkheden van [minderjarige] . De Raad heeft inmiddels aangekondigd onderzoek te zullen gaan doen naar het gezag over [minderjarige] . De kinderrechter is van oordeel dat de betrokkenheid van de GI vanuit het gedwongen kader langer noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de noodzakelijke stappen worden gezet en beslissingen worden genomen die in het belang van [minderjarige] zijn. De kinderrechter zal daarom het onweersproken verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling toewijzen voor de duur van een jaar. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat voortzetting van het verblijf van [minderjarige] bij pleegouders noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding [2] en dat deze plek geborgd moet blijven middels een daartoe strekkende machtiging. Het hiertoe strekkende verzoek, dat ook onweersproken is, zal eveneens worden toegewezen.
5.6.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 19 april 2026 en tot 19 april 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 19 april 2026 en tot 19 april 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 23 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.