Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2175

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444212 / JE RK 26-108
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BWBesluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 4 maart 2026 uitspraak gedaan over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2010. De Stichting Jeugdbescherming West Zeeland, overgenomen door de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor een periode van vier weken, met aansluitend verlenging voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De minderjarige vertoont ernstig bedreigde ontwikkeling door gezondheidsproblemen, gedragsproblemen en een patroon van emotionele en fysieke onveiligheid. Pogingen tot thuisplaatsing bij de moeder zijn mislukt, mede door escalaties en het stagneren van de ontwikkeling. De spoedmachtiging tot uithuisplaatsing is daarom verlengd, maar de kinderrechter beperkt de termijn tot zes maanden om de situatie te kunnen monitoren. De moeder uitte zorgen over de huidige plaatsing en vraagt om tussentijdse toetsing.

De bijzondere curator heeft ernstige zorgen over de minderjarige en acht verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk. De kinderrechter beëindigt de taak van de bijzondere curator wegens beperkte meerwaarde in de huidige omstandigheden. De beslissing wordt direct uitvoerbaar verklaard en het resterende deel van het verzoek tot uithuisplaatsing wordt aangehouden met de verplichting tot een update van de GI voorafgaand aan een zitting in september 2026.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige met respectievelijk één jaar en zes maanden, met aanhouding van het resterende verzoek en opvolging van de situatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444212 / JE RK 26-108
Zaaknummer: C/02/445385 / JE RK 26-318
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
op het verzoek met zaaknr. C/02/444212 / JE RK 26-108 van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
welke is overgenomen door
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
en op het verzoek met zaaknr. C/02/445385 / JE RK 26-318 van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, voornoemd,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt in beide procedures als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. E.A.G. van Acker uit Sint Jansteen,
mr. M. KALLE, in zijn hoedanigheid van bijzondere curator van [minderjarige] ,
advocaat te Middelburg.

1.Het verloop van de procedures

1.1.
De kinderrechter neemt in de procedure met zaaknr. C/02/444212 / JE RK 26-108 de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 januari 2026.
1.2.
De kinderrechter neemt in de procedure met zaaknr. C/02/445385 / JE RK 26-318 de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 24 februari 2026 en de daarin vermelde stukken.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • mr. Van Acker;
  • de bijzondere curator;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
De moeder is niet in persoon naar de zitting gekomen. Ook was er geen vertegenwoordiger van de voormalige GI aanwezig.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening over het verzoek kenbaar te maken. Hij heeft hier geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 22 maart 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met
ingang van 22 maart 2024 en tot 22 september 2024. Ook is een machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met
ingang van 22 maart 2024 en tot 22 september 2024. Het resterende deel van het verzoek tot
ondertoezichtstelling van [minderjarige] is aangehouden.
2.3.
Bij beschikking van 23 augustus 2024 heeft de kinderrechter de
ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie
van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 22 september 2024 en tot 22 maart
2025.
2.4.
Bij beschikking van 12 maart 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] laatstelijk verlengd tot 22 maart 2026. Tevens is bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 22 maart 2026.
2.5.
Bij beschikking van 20 augustus 2025, hersteld bij beschikking van 25 september 2025, heeft de kinderrechter de voornoemde machtiging tot uithuisplaatsing tijdelijk ingetrokken met ingang van 20 augustus 2025 en tot 18 oktober 2025 en is mr. M. Kalle benoemd tot bijzondere curator van [minderjarige] .
2.6.
Bij beschikking van 17 oktober 2025 is Stichting Jeugdbescherming west Zeeland vervangen door William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering. De kinderrechter heeft tevens de voornoemde machtiging tot uithuisplaatsing tijdelijk ingetrokken met ingang van 18 oktober 2025 en tot 15 januari 2026.
2.7.
Bij beschikking van 16 januari 2026 is het (zelfstandige) verzoek van de moeder om voorlopig te bepalen dat [minderjarige] dag en nacht bij haar verblijft afgewezen, omdat de GI het verzoek omtrent de machtiging uithuisplaatsing heeft ingetrokken.
2.8.
Bij beschikking van 24 februari 2026 heeft de kinderrechter zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 24 februari 2026 en tot 22 maart 2026.
2.9.
Op grond van deze machtiging verblijft [minderjarige] op een zorggroep in [plaats] .

3.De verzoeken

C/02/444212 / JE RK 26-108
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
C/02/445385 / JE RK 26-318
3.2.
De GI verzoekt een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een
accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken en de
beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zonder voorafgaand verhoor van de
belanghebbenden. Daarnaast verzoekt de GI om aansluitend een machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen
voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te
verklaren.
3.3.
De kinderrechter heeft op 24 februari 2025 reeds deel beslist op het voornoemde verzoek. Thans ligt ter beoordeling voor of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die maken dat de reeds verleende (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing met ingang van heden moet worden herroepen, alsmede het resterende deel van het verzoek, voor de duur van de ondertoezichtstelling.

4.De standpunten

4.1.
De GI neemt het verzoek van de voormalige GI om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een jaar over. De GI heeft ernstige zorgen over [minderjarige] en het gedrag wat hij laat zien. Het lukt hem niet om het patroon hierin te doorbreken. [minderjarige] verbleef sinds augustus 2025 bij de moeder, nadat hij was weggelopen van [zorggroep] . Gebleken is dat het ook hier niet lukt om voldoende verandering teweeg te brengen en dat het patroon van emotionele en fysieke onveiligheid in stand blijft. Inmiddels is [minderjarige] met een spoedmachtiging geplaatst op een zorggroep in [plaats] . De GI wil goed gaan onderzoeken wat [minderjarige] nodig heeft en wat het meest daarbij aansluit qua perspectief, behandeling, school/dagbesteding enzovoorts. Dit is in de afgelopen periode niet gelukt, omdat de betrokken hulpverlening vooral de-escalerend heeft moeten handelen en niet is toegekomen aan de gestelde doelen. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing is langer noodzakelijk om stappen te kunnen zetten die in het belang van [minderjarige] zijn en die hem gaan helpen richting zijn meerderjarigheid.
4.2.
Mr. Van Acker stelt dat de moeder grote zorgen heeft over [minderjarige] . De tijd tot dat hij 18 jaar wordt is nog maar kort. De moeder doet niet anders dan om hulp roepen en betreurt dan ook dat de GI veel bij haar neerlegt. Ondanks de opdracht van de kinderrechter is er geen sprake geweest van een warme overdracht tussen de GI’s. Daarnaast heeft de moeder zelf moeten zorgen voor de plaatsing van [minderjarige] op de zorggroep. De moeder heeft zorgen over deze plaatsing. [minderjarige] krijgt niet altijd zijn medicatie en een gezonde maaltijd. Daarnaast wordt er gerookt op de groep, terwijl [minderjarige] astma heeft en vinden er geweldsincidenten plaats. De moeder vreest dat [minderjarige] er nog meer ontregeld van zal raken. Afgelopen nacht heeft de moeder een bericht ontvangen van [minderjarige] dat hij hier niet langer wilde blijven. Ook heeft de moeder zorgen over de buddy’s. Zij vraagt zich af of zij [minderjarige] de juiste begeleiding bieden. De GI wil in de komende periode onderzoeken wat nodig is voor [minderjarige] . De moeder hoort dit al vier jaar. Het zijn plannen en verder komt het niet. De moeder vindt verlenging van de ondertoezichtstelling onvermijdelijk. Zij staat ook achter de spoedbeslissing om [minderjarige] uit huis te plaatsen, maar kan zich er niet in vinden als de machtiging voor het verblijf van [minderjarige] op de huidige groep wordt verlengd voor de duur van jaar. Gezien de zorgen over [minderjarige] en de twijfels of hij op de juiste plek zit, zou de moeder graag zien dat de kinderrechter de situatie opvolgt en na zes maanden ter zitting toetst.
4.3.
De bijzondere curator heeft recent [minderjarige] gesproken en maakt zich ernstige zorgen over hem vanwege zijn extreme vermoeidheid, zijn overgewicht en zijn grensoverschrijdende (game)gedrag. Het lukt niet om het patroon te doorbreken. Mr. Kalle constateert dat de buddy’s hierin ook niet altijd helpend zijn. Zo nemen zij hem mee naar [restaurant] of geven hem geld voor het gamen. [minderjarige] heeft een bepaalde boosheid in zich en is thuis niet te handelen. Vanwege de vrijheid die [minderjarige] ervaart op de huidige groep, vindt hij het voor nu wel goed. Het is de vraag of dit zo blijft, als hij hier langer verblijft. Passende hulpverlening komt steeds niet van de grond. Mr. Kalle vindt het lastig om een advies te geven over wat het meest in het belang van [minderjarige] is. Hij betwijfelt ook de meerwaarde van zijn rol als bijzondere curator, omdat hij er niet in geslaagd is om [minderjarige] daadwerkelijk te bereiken. [minderjarige] moet de kans krijgen om positieve ervaringen op te doen. Hij heeft therapie nodig om te leren omgaan met zichzelf en anderen. Verlenging van de ondertoezichtstelling is daarom noodzakelijk, net als de uithuisplaatsing. Het lijkt mr. Kalle een goed plan om de daartoe strekkende machtiging in termijn te beperken tot zes maanden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek zodat de kinderrechter een vinger aan de pols kan houden.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [2]
De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De kinderrechter stelt vast dat de ontwikkeling van [minderjarige] nog steeds ernstig wordt bedreigd. Er zijn namelijk grote zorgen over zijn gezondheid, zijn mentale welzijn en het gedrag wat [minderjarige] laat zien en inzet om dingen te bereiken en waarmee hij zichzelf en anderen in gevaar brengt. Niemand kan tot hem doordringen om het patroon daarin te doorbreken. [minderjarige] verbleef sinds augustus 2025 weer thuis bij de moeder, nadat hij was weggelopen van [zorggroep] . De hiertoe strekkende machtiging is destijds ingetrokken om de thuisplaatsing een kans te geven. Thans blijkt dat het ook hier niet goed is gegaan. In toenemende mate vonden er fysieke escalaties tussen de moeder en [minderjarige] plaats. Het lukte IPT niet om het patroon te doorbreken en waardoor de fysieke onveiligheid in de thuissituatie in stand bleef. Daarnaast ging [minderjarige] niet meer naar school en bleek [minderjarige] steeds verder in zijn ontwikkeling te stagneren. In de afgelopen periode is het niet gelukt om te werken aan de doelen die in het kader van de ondertoezichtstelling zijn gesteld, omdat de aandacht vooral uitging naar het de-escaleren van de thuissituatie. Het is zodanig uit de hand gelopen, dat een verblijf in de thuissituatie niet langer in het belang van [minderjarige] was. Om erger te voorkomen, de veiligheid van [minderjarige] te borgen alsmede om het patroon te kunnen doorbreken is [minderjarige] met een spoedmachtiging opnieuw uit huis geplaatst. De kinderrechter heeft ter zitting gehoord dat er inmiddels ook zorgen zijn over deze plaatsing en of deze voldoende aansluit bij wat [minderjarige] nodig heeft. De kinderrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige] een plek krijgt waar hij een passende behandeling krijgt en hij zich kan voorbereiden op zijn toekomst. Dit moet dus goed onderzocht worden. Daarbij is het belangrijk dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder wordt behouden. Hoewel een thuisplaatsing niet meer aan de orde lijkt te zijn, blijft de moeder heel belangrijk voor [minderjarige] en is zij de enige die hem echt goed kent en kan lezen. Behoud van dit contact is dus erg belangrijk en de kinderrechter verwacht dan ook van de GI dat zij zal onderzoeken hoe dit contact kan worden vormgeven op een wijze die voor alle betrokkenen haalbaar is. De kinderrechter vindt het noodzakelijk dat de GI langer betrokken blijft om ervoor te zorgen dat de stappen worden gezet die in het belang van [minderjarige] nodig zijn. De kinderrechter zal dan ook het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling te verlengen als onweersproken toewijzen voor de duur van een jaar. Daarnaast stelt de kinderrechter vast dat de beslissing om [minderjarige] met spoed uit huis te plaatsen op goede gronden is gegeven. Voortzetting van de uithuisplaatsing is noodzakelijk, nu het niet in het belang van [minderjarige] is om thuis te wonen. Gezien de gestelde zorgen over het welzijn van [minderjarige] en de vraag of de huidige plek goed aansluit bij wat hij nodig heeft, wil de kinderrechter de situatie opvolgen. Zij zal daarom de termijn van de machtiging beperken tot zes maanden, onder aanhouding van het restantverzoek. De GI wordt verzocht om uiterlijk twee weken voor de nader te plannen zitting de kinderrechter een update te sturen over hoe het ervoor staat en welke stappen zijn gezet.
5.3
De kinderrechter zal de taak van de bijzondere curator beëindigen. In de huidige omstandigheden heeft de bijzondere curator weinig meerwaarde. Mocht in de toekomst [minderjarige] wel behoefte hebben aan de betrokkenheid van een bijzondere curator, bijvoorbeeld in de rol van vertrouwenspersoon, kan de rechtbank altijd opnieuw een benoeming verzorgen.
5.4.
De voornoemde beslissing ten aanzien van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
C/02/444212 / JE RK 26-108
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 22 maart 2026 en tot 22 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd;
C/02/445385 / JE RK 26-318
6.4.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 22 maart 2026 en tot 22 september 2027
;
6.5.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7. houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek ten aanzien van de uithuisplaatsing aan
tot een nader te plannen zitting begin september 2026 PRO FORMAen met het verzoek aan de GI om uiterlijk twee weken hieraan voorafgaand een update aan de kinderrechter te verstrekken;
behoudt zich verder iedere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 18 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.