Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2176

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
C/02/429849 / FA RK 24-5888
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BWArt. 1:377b BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking omgang, gezag en informatieregeling minderjarige kinderen na relatiebreuk

De rechtbank behandelt een zaak over erkenning, gezag en omgangsregeling van twee minderjarige kinderen na het verbreken van de relatie tussen de ouders. De man verzoekt vervangende toestemming voor erkenning, gezamenlijk gezag en omgangsregelingen voor beide kinderen. De vrouw verzet zich tegen gezamenlijk gezag en stelt een beperkter omgangsregime voor.

Partijen hebben de erkenning inmiddels onderling geregeld, waarbij het gezag bij de vrouw blijft. De rechtbank wijst het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag af en stelt een omgangsregeling vast voor het kind dat bij de vrouw verblijft, die aansluit bij de feitelijke situatie en wensen van partijen. Voor het tweede kind, dat bij de grootouders verblijft en niet weet wie zijn vader is, wordt de omgang aangehouden voor zes maanden in afwachting van een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.

Daarnaast wordt een informatieregeling vastgesteld waarbij de vrouw de man om de twee weken informeert over belangrijke zaken betreffende de kinderen. De rechtbank verwijst de ouders en kinderen naar een (jeugd)hulpverleningstraject om de communicatie en samenwerking te verbeteren. De beslissing over het gezag wordt aangehouden tot na afronding van dit traject en het onderzoek van de Raad.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot gezamenlijk gezag af, stelt een omgangsregeling vast voor één kind en houdt de omgang voor het tweede kind aan voor nader onderzoek en hulpverlening.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/429849 / FA RK 24-5888
datum uitspraak: 5 maart 2026
beschikking betreffende erkenning, gezag, zorg-/omgangsregeling
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. C.F.A. Cadot te Roosendaal,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. J.L.J. de Vos te Goes.
- mr. M. Janseadvocaat te Halsteren, in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022 en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van 14 mei 2025 en de daarin genoemde stukken;
- het F9-formulier van mr. Janse d.d. 8 juli 2025 met bijlage;
- het op 16 januari 2026 door mr. De Vos ingediende verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het op 27 januari 2026 ingekomen verweerschrift op zelfstandig verzoek tevens aanvullende verzoeken;
- het F9-formulier van mr. De Vos d.d. 25 februari 2026 met bijlage.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 2 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig de bijzondere curator alsmede een vertegenwoordigster van de Raad.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende thans nog minderjarige kinderen zijn geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022.
2.2
[minderjarige 1] verblijft bij de vrouw. [minderjarige 2] verblijft bij de grootouders moederszijde.
2.3
De vrouw oefent van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit.
2.4
Bij beschikking van 14 mei 2025 is in de onderhavige procedure mr. M. Janse, advocaat te Halsteren, benoemd tot bijzondere curator over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

3.De verzoeken

3.1
De man verzoekt, na wijziging en aanvulling en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I hem op grond van artikel 1:204 lid 3 BW Pro vervangende toestemming te verlenen, in de plaats tredend van de toestemming van de vrouw, tot erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zulks op grond dat hij de verwekker is;
II te bepalen dat hij met ingang van de ten deze te wijzen beschikking, tezamen met de vrouw, zal worden belast met het ouderlijk gezag over de kinderen van partijen;
III een zorg- en contactregeling c.q. omgangsregeling vast te stellen waarbij [minderjarige 1] bij de man zal verblijven:
zolang [minderjarige 1] nog niet naar de basisschool zal gaan:
- in de even weken vanaf vrijdagochtend 09:30 uur tot zondagavond 18:00
uur;
- in de oneven weken vanaf donderdagochtend 09:30 uur tot vrijdagavond
18:00 uur;
zodra [minderjarige 1] naar de basisschool zal gaan:
- in de even weken vanaf donderdag na schooltijd tot maandagochtend
aanvang school;
- in de oneven weken vanaf donderdagmiddag na schooltijd tot vrijdagochtend
aanvang school;
voor beide situaties:
- gedurende de helft van de feestdagen;
- gedurende één week in de maand juli of augustus en gedurende één week
tijdens de maand december rondom de feestdagen en vanaf het moment dat [minderjarige 1] naar de basisschool zal gaan de helft van de schoolvakanties, in onderling overleg af te stemmen.
IV een zorg- en contactregeling c.q. omgangsregeling vast te stellen waarbij [minderjarige 2] bij de man zal verblijven:
gedurende de eerste drie maanden
- In de even weken vanaf zaterdagochtend 090:00 uur tot zaterdagmiddag 17:00 uur;
- In de oneven weken op donderdagmiddag vanaf 09:30 uur tot donderdagavond 18:30 uur na het avondeten;
na verloop van drie maanden
- In de even weken van vrijdagochtend 09:30 uur tot zondagavond 18:00 uur;
- In de oneven weken vanaf donderdagochtend 09:30 uur tot vrijdagavond 18:00 uur;
- Gedurende de helft van de feestdagen;
- Gedurende één week in de maand juli of augustus en gedurende één week tijdens de maand december rondom de feestdagen en vanaf het moment dat [minderjarige 1] naar de basisschool zal gaan de helft van de schoolvakanties, in onderling overleg af te stemmen.
De man verzoekt hierbij te bepalen dat het halen en brengen van de kinderen tussen partijen bij helfte zal worden gedeeld, waarbij de vrouw de kinderen bij aanvang van een omgangsmoment naar de man zal brengen en de man de kinderen aan het einde van een omgangsmoment naar de vrouw zal brengen;
V Indien en zolang de man niet belast is met het ouderlijk gezag acht de man het in het belang van de kinderen dat de vrouw hem eenmaal per twee weken zal informeren omtrent belangrijke aangelegenheden betreffende de kinderen waaronder:
- de gezondheid van de kinderen en lichamelijke ontwikkeling;
- hoe het gaat op het kinderdagverblijf/peuterspeelzaal en later school (zoals nieuwsbrieven, voortgangsrapportages);
- contacten met derden, zoals hulpverlening;
- belangrijke activiteiten en festiviteiten rondom de kinderen, zoals vakanties en uitstapjes met overnachting.
3.2
Ten aanzien van zelfstandige verzoeken van de wederpartij:
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw ten aanzien van de omgangsregeling en verzoekt dit verzoek af te wijzen, zulks onder handhaving van zijn verzoeken ten aanzien van de erkenning, het gezag en de zorg-/omgangsregeling ten aanzien van [minderjarige 2] en met aanvulling van zijn verzoek ten aanzien van de zorg-/omgangsregeling ten aanzien van [minderjarige 1] .
3.3
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man ten aanzien van het gezamenlijk gezag en de zorg-/omgangsregeling met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en verzoekt deze verzoeken af te wijzen. Ten aanzien van het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de informatieregeling refereert de vrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.
Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw:
- een omgangsregeling vast te stellen waarbij [minderjarige 1] eens per veertien dagen van vrijdagmiddag 16:00 uur tot zondagavond 19:00 uur bij de man verblijft, onder de voorwaarde dat de omgang wordt begeleid door (groot)ouders, althans een omgangsregeling vast te stellen die de rechtbank in het belang van [minderjarige 1] juist acht.
3.3
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

4.1
Erkenning
4.1.1
Op 8 juli 2025 heeft de rechtbank van mr. Janse een verslag ontvangen met haar bevindingen omtrent het verzoek van de man ten aanzien van de erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij dit nader toegelicht. Mr. Janse concludeert dat voor beide partijen de biologische verwantschap tussen de man en beide kinderen vaststaat. De bezwaren vrouw ten aanzien van de erkenning zien niet zozeer op erkenning zelf, maar meer op de omgang en het gezag. Mr. Janse ziet geen aanwijzingen dat de vrouw door de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is om de kinderen een stabiel opvoedklimaat te bieden. Mr. Janse adviseert de rechtbank om het verzoek van de man voor wat betreft de erkenning toe te wijzen, maar acht het in het belang van de kinderen dat partijen alsnog zullen proberen om dit onderling te regelen.
4.1.2
Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat zij zullen trachten de erkenning samen bij de gemeente te regelen. Afgesproken is dat partijen binnen twee weken de rechtbank zullen informeren of dit hen gelukt is. Indien blijkt dat het partijen niet lukt, zal de rechtbank alsnog beslissen op dit punt.
4.1.3
Als bijlage bij F9-formulier d.d. 25 februari 2026 heeft mr. De Vos een tweetal akten overgelegd. Hieruit blijkt dat de man op 24 februari 2026 zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] met toestemming van de vrouw heeft erkend. Partijen hebben daarbij ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand verklaard dat zij afzien van gezamenlijk gezag en dat het gezag over de kinderen alleen door de vrouw wordt uitgeoefend.
4.1.4
De rechtbank stelt vast dat partijen geen inhoudelijke beslissing ten aanzien van de erkenning meer behoeven, nu zij de erkenning onderling hebben geregeld. Het verzoek van de man op dit punt zal daarom worden afgewezen.
4.2
Omgang
4.2.1
De rechtbank stelt vast dat de man op dit moment alleen omgang met [minderjarige 1] heeft. Vanwege haar gezondheidssituatie kon de vrouw de zorg voor haar drie kinderen niet volledig zelf dragen, waardoor [minderjarige 2] kort na zijn geboorte is opgevangen door de grootouders moederszijde. Na het verbreken van de relatie is het partijen niet gelukt om tot afspraken te komen omtrent het contact tussen de man en [minderjarige 2] en wat er ook toe heeft geleid dat [minderjarige 2] tot op heden niet weet wie zijn vader is. De verstandhouding tussen partijen is ernstig verstoord. Dit heeft er meermaals toe geleid dat het contact tussen de man en [minderjarige 1] zeer wisselend is verlopen met zelfs momenten dat er geen contact plaatsvond of met zodanige spanningen tussen partijen dat politie-interventie nodig bleek. Beide partijen erkennen het belang van het contact van de kinderen met hun beide ouders en zijn het erover eens dat er duidelijke afspraken moeten komen die door beiden worden nageleefd. Tijdens de mondelinge behandeling is door de vrouw niet betwist dat [minderjarige 1] momenteel veel bij de man verblijft. Het tegenverzoek van de vrouw impliceert een inperking van dit contact en volgens de man doet dit dan ook geen recht aan de feitelijke situatie. De vrouw heeft er moeite mee dat [minderjarige 1] ieder weekend bij de man verblijft, waardoor zij zelf geen qualitytime met [minderjarige 1] in een weekend heeft. Met de Raad is de rechtbank het eens dat er veel onrust heerst in de omgang en dat de kinderen gebaat zijn bij continuïteit en voorspelbaarheid. De rechtbank acht het dan ook in het belang van [minderjarige 1] dat er een regeling wordt vastgesteld, die door partijen wordt nageleefd. Dit geeft hen duidelijkheid en zou dan veel van de boosheid en frustraties tussen partijen kunnen wegnemen. Nu het verzoek van de man ten aanzien van [minderjarige 1] tegemoet komt aan de behoefte en wens van de vrouw om ook een weekend te kunnen doorbrengen met [minderjarige 1] en deze regeling het meest aansluit bij de feitelijke situatie op dit moment, zal de rechtbank dit verzoek toewijzen. Gelet op de zorgen van de vrouw gaat de rechtbank ervan uit dat zodra [minderjarige 1] vier jaar wordt, de man ook zal zorgdragen voor het vervoer van [minderjarige 1] naar school.
4.2.2
Ten aanzien van de omgang tussen de man en [minderjarige 2] acht de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te geven die tegemoet komt aan het belang van [minderjarige 2] . [minderjarige 2] weet namelijk niet dat de man zijn vader is. Dit betekent dat er eerst statusvoorlichting moet gaan plaatsvinden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven dat zij zich kan vinden in de statusvoorlichting en het opstarten van de omgang, maar dat dit wel onder begeleiding en zeer geleidelijk moet plaatsvinden, mede gelet op de kwetsbaarheid van [minderjarige 2] . Met de Raad acht de rechtbank het noodzakelijk dat er zicht komt op het gehele gezinssysteem alvorens de rechtbank op dit punt kan beslissen. Partijen kennen een belast verleden met elkaar, waarin veel tussen hen gebeurd is. Er is onvoldoende zicht op het veiligheidsrisico en de mogelijkheden van zowel partijen als [minderjarige 2] om dit traject aan te gaan. De rechtbank acht het daarom aangewezen dat de Raad ten aanzien van [minderjarige 2] een onderzoek zal uitvoeren om vervolgens de rechtbank gericht een advies te kunnen geven over wat ouders nodig hebben om dit traject vorm te geven. De Raad wordt dan ook verzocht om - gelijktijdig met de hierna genoemde verwijzing naar de hulpverlening - een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de navolgende vragen:
- Op welke wijze dient de statusvoorlichting van [minderjarige 2] vorm gegeven te worden?
- Welke omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 2] komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige 2] ?
- Hoe dient de regeling qua duur en frequentie opgebouwd en vorm gegeven te worden?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld, maar zijn wel van belang om te vermelden?
In afwachting van de rapportage van de Raad zal het verzoek van de man ten aanzien van zijn omgang met [minderjarige 2] , mede gelet op de wachttijden bij de Raad, voor de duur van zes maanden worden aangehouden.
4.3
Informatieregeling
4.3.1
De rechtbank zal, mede gelet op de referte van de vrouw, het verzoek van de man tot het vaststellen van een informatieregeling toewijzen. Nu partijen onderling de erkenning hebben geregeld en daarbij het gezamenlijk gezag hebben uitgesloten, is de vrouw op grond van artikel 1:377b BW als ouder met gezag gehouden de man te informeren over hun kinderen. De man heeft hier niet alleen recht op, maar heeft deze informatie ook nodig om straks op juiste wijze te kunnen aansluiten bij [minderjarige 2] .
4.4
Verwijzing Uniform Hulpaanbod
4.4.1
Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen aangegeven te erkennen dat het is hen in de afgelopen jaren niet is gelukt om de problemen tussen hen op te lossen en dat hun onderlinge verstandhouding en communicatie verbetering behoeft. Beiden stemmen dan ook in met een verwijzing naar het Uniform Hulpaanbod.
4.4.2
De rechtbank vindt het, met partijen en de Raad, nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op 9 februari 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.4.3.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het
kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.4.4.
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang
zijn van het kind; (keuze: lichte interventie);
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die
nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie).
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
4.4.5
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
4.4.6.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot het de kinderen.
4.4.7.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.4.8.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een (aanvullend) onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.4.9.
Wanneer de Raad een (aanvullend) onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vraag (in aanvulling op de vragen die zijn gesteld onder r.o. 4.2.2):
- Bestaat er, bij toewijzing van het gezag aan de ouders gezamenlijk, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de minderjarigen te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
- Welke zorg-/omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 2] , en voor zover nodig tussen de man en [minderjarige 1] , komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- Hoe dient deze regeling qua duur en frequentie opgebouwd en vorm gegeven te worden?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld, maar zijn wel van belang om te vermelden?
4.4.10.
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.4.11.
Na een (aanvullend) onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.4.12
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
4.4.13
Omdat ouders en hun kind(eren) in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op het verzoek met betrekking tot het gezag ten aanzien van beide kinderen , maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van zes maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
4.4.14
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt dat de man en [minderjarige 1] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar:
  • in de even weken van vrijdag 09:30 uur tot zondag 18:00 uur;
  • in de oneven weken van donderdag 09:30 uur tot vrijdag 18:00 uur;
en in onderling overleg af te stemmen:
  • gedurende de helft van de feestdagen;
  • gedurende één week in de maand juli of augustus;
  • gedurende één week rondom de feestdagen in december;
  • vanaf het moment dat [minderjarige 1] naar de basisschool zal gaan de helft van de schoolvakanties;
  • en waarbij het halen en brengen van de kinderen wordt tussen partijen bij helfte verdeeld;
5.2.
bepaalt dat de vrouw de man eenmaal per twee weken zal informeren over belangrijke aangelegenheden betreffende [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waaronder hun gezondheid en ontwikkeling, de ontwikkelingen op het kinderdagverblijf dan wel de school, hulpverlening en overige belangrijke activiteiten en festiviteiten die plaatsvinden rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
5.3.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de onder r.o. 4.2.2. gestelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór de hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan (de advocaten van) partijen;
5.5.
houdt de beslissing ten aanzien van de omgang tussen de man en [minderjarige 2] aan
tot 8 september 2026 PRO FORMA, in afwachting van het rapport en bijbehorend advies van de Raad en de reactie van partijen hierop en het door hen gewenste procesverloop;
5.6.
verwijst ouders en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal ouders en kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.5.
verzoekt het loket om uiterlijk op
8 september 2026 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
5.6.
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.7.
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.8.
verzoekt de Raad, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een aanvullend onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.4.9. vermelde vraag en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.9.
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
5.10.
houdt in afwachting van de uitkomst van het voornoemde traject en de reacties van partijen omtrent het door hen gewenste procesverloop de beslissing ten aanzien van het gezag aan;
5.11.
wijst af het zelfstandige verzoek van de vrouw alsmede het verzoek van de man ten aanzien van de erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026 in tegenwoordigheid van Bakker-Maljers, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.In opdracht van de gemeente