Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2177

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
C/02/441421 / JE RK 25-1948
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:265g lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling met begeleide omgang en einde ondertoezichtstelling minderjarige

De zaak betreft een verzoek tot wijziging van de zorg- en opvoedingstaken voor een minderjarige, waarbij de vader weigert medewerking te verlenen en geen zicht wordt verkregen op zijn thuissituatie. De ondertoezichtstelling van de minderjarige is sinds 2022 van kracht en verlengd tot 17 maart 2026, met diverse machtigingen tot uithuisplaatsing.

De Raad voor de Kinderbescherming, de gecertificeerde instelling (GI) en de moeder zijn betrokken belanghebbenden. De vader is niet verschenen bij de zitting en weigert samen te werken, wat leidt tot zorgen over de veiligheid en het welzijn van de minderjarige bij de vader. De GI verzoekt om wijziging van de zorgregeling naar een weekendregeling van vrijdagmiddag tot maandagochtend, maar acht het niet passend om deze regeling nu vast te leggen zonder begeleide omgang.

De kinderrechter oordeelt dat de vader en minderjarige recht hebben op omgang, maar dat deze voorlopig begeleid moet plaatsvinden onder casusregie om de situatie te monitoren. De ondertoezichtstelling wordt niet verlengd en zal eindigen, waarna de casusregie de hulpverlening overneemt. De gewijzigde regeling gaat per direct in en is uitvoerbaar bij voorraad. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De zorgregeling wordt gewijzigd naar begeleide omgang onder casusregie met het einde van de ondertoezichtstelling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/441421 / JE RK 25-1948
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. I. de Dobbelaere-Woets uit Terneuzen,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend en gehoord:
- de Raad voor de Kinderbescherming Regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 18 december 2025 en de daarin vermelde stukken;
  • de brief van de GI d.d. 4 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
  • een tweetal vertegenwoordigsters van de GI;
  • een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3.
De vader is niet naar de zitting gekomen. De kinderrechter stelt vast dat hij op juiste wijze is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
Voor zover de kinderrechter dat uit de beschikbare stukken kan afleiden zijn de vader en de moeder belast met het ouderlijk gezag.
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van 17 maart 2022 is [minderjarige] onder toezicht
gesteld met ingang van 17 maart 2022 en tot 17 maart 2023. Deze maatregel is daarna steeds
verlengd, voor het laatst tot 17 maart 2026.
2.3.
Bij beschikking van 5 oktober 2023 heeft de kinderrechter een machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verleend met ingang van 5 oktober 2023 en tot
5 november 2023, welke bij beschikking van 19 oktober 2023 is verlengd met ingang van 5
november 2023 en tot 17 maart 2024.
2.4.
Bij beschikking van 9 februari 2024 heeft de kinderrechter een machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten [accommodatie]
, verleend met ingang van 9 februari 2024 en tot 17 maart 2024. Ook is de
machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder,
te weten [accommodatie] , verlengd met ingang van 17 maart 2024 en tot 17 september 2024.
Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.5.
Bij beschikking van 11 maart 2025 is de machtiging om [minderjarige] gedurende
dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder laatstelijk verlengd met ingang van 17 maart 2025 en tot 17 maart 2026.
2.6.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 augustus 2021 bepaald dat de onderlinge regelingen uit het aangehechte en gewaarmerkte ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking. In dit ouderschapsplan zijn ouders een zorgregeling overeengekomen, op grond waarvan [minderjarige] gedurende een weekend in de veertien dagen van vrijdag 16:00 uur tot zondagavond 17:00 uur bij de vader zal verblijven. Mocht het voor de vader in verband met zijn werkzaamheden niet haalbaar zijn om [minderjarige] om 16:00 uur op te halen, zal hij dit uiterlijk op vrijdag om 18:00 uur doen dan wel zaterdag 09:00 uur. Hij zal de moeder hierover tijdig verwittigen.
2.7.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 21 september 2022 de zorgregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan, gehecht aan de beschikking van deze rechtbank d.d. 19 augustus 2021, gewijzigd, in die zin dat:
  • de overdrachtsmomenten uitsluitend plaatsvinden tussen ouders, zonder aanwezigheid van partner(s), op een neutrale locatie zo lang de jeugdzorgwerker dit noodzakelijk acht;
  • een opbouw van de zorgregeling zal gelden zoals opgenomen in de vierde en vijfde alinea van de beoordeling in deze beschikking.
2.8.
Bij beschikking van 18 december 2025 heeft de kinderrechter bepaald dat de zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 19 augustus 2021 en aangevuld met de bepalingen die zijn opgenomen in de beschikking van 21 september 2022 wordt opgeschort voor de duur van drie maanden, tot 18 maart 2026. Daarbij is bepaald dat de vader en [minderjarige] voorlopig begeleide omgang met elkaar hebben op een nader door de GI in te vullen wijze en frequentie.

3.De verzoeken

3.1.
De GI verzoekt de door de kinderrechter op 21 september 2022 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt te wijzigen: om het weekend naar de vader van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend voor school. Tevens verzoekt de GI de te geven beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 9 december 2025 heeft de moeder - met instemming van de GI - een mondeling tegenverzoek gedaan, in die zin dat zij verzoekt om opschorting van de bestaande zorgregeling. Tevens verzoekt zij te bepalen dat er begeleide omgang tussen [minderjarige] en de vader zal zijn, zolang de veiligheid van [minderjarige] bij de vader niet gegarandeerd is.
3.3
Bij beschikking van 18 december 2025 heeft de kinderrechter reeds deels beslist op de voornoemde verzoeken. Het verzoek van de moeder is destijds toegewezen onder aanhouding van het verzoek van de GI. Tijdens de mondelinge behandeling van 10 maart 2026 heeft de GI – met instemming van de moeder - dit verzoek gewijzigd, in die zin dat thans verzocht wordt te bepalen dat er tussen [minderjarige] en de vader begeleide omgang zal zijn en dat onder begeleiding van casusregie toegewerkt wordt naar een zorgregeling van een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend voor school.

4.De standpunten

4.1.
De GI stelt dat de vader boos heeft gereageerd op de beslissing van de kinderrechter van 18 december 2025, waarin de zorgregeling is opgeschort en is bepaald dat de vader voorlopig alleen recht heeft op begeleide omgang met [minderjarige] . De vader heeft volgens de GI meermaals aangegeven afstand te willen nemen van [minderjarige] . Desondanks heeft hij [minderjarige] wel onverwachts opgezocht op school, waardoor [minderjarige] erg verward is geraakt. In de afgelopen periode is meermaals geprobeerd om in contact te komen met de vader. Helaas is dit niet gelukt. De GI acht niet in het belang van [minderjarige] om op dit moment de zorgregeling die aanvankelijk is verzocht bij beschikking vast te leggen en vindt het belangrijk dat als de vader weer in beeld komt, de omgang met [minderjarige] onder begeleiding wordt opgestart. De GI heeft daarom ter zitting dit verzoek, met instemming van de moeder, als zodanig gewijzigd. De Raad heeft ingestemd met het voornemen van de GI om de ondertoezichtstelling niet meer te verlengen. De moeder heeft positieve stappen gezet, heeft inmiddels een stabiele thuissituatie en is bereid om de hulpverlening vanuit een vrijwillig kader voort te zetten. Deze maatregel verlengen vanwege de weerstand van de vader is in deze situatie niet meer passend. Inmiddels is er een borgingsplan opgesteld en zal [jeugdhulp] de hulpverlening van de GI overnemen.
4.2.
De moeder is blij dat de ondertoezichtstelling zal eindigen. Ook vindt zij het prettig dat er voorlopig vanuit het vrijwillig kader een casusregisseur betrokken zal blijven. De moeder staat achter het gewijzigde verzoek van de GI. Er bestaat immers een reële kans dat de omgang met vader niet loopt zoals het zou moeten lopen. De moeder is niet tegen de omgang met vader, maar het moet wel in het belang van [minderjarige] zijn. Zodra de vader weer in contact wil komen met [minderjarige] , is het belangrijk dat er zicht komt op de situatie van de vader zodat de zorgen van de moeder hieromtrent kunnen worden weggenomen.
4.3.
De Raad heeft het voornemen van de GI om de ondertoezichtstelling niet te verlengen getoetst en kan zich hierin vinden. De moeder heeft positieve stappen gezet en is bereid de betrokken hulpverlening vanuit een vrijwillig kader voort te zetten. Dit geeft de Raad vertrouwen. Als de vader weer contact wenst met [minderjarige] , kan dit door de casusregie vanuit het vrijwillig kader opgepakt worden. De Raad acht de regeling, zoals die door de GI is voorgesteld in haar gewijzigde verzoek, het meest in het belang van [minderjarige] .

5.De nadere beoordeling

5.1.
De kinderrechter heeft in zijn eerder in deze procedure gegeven beschikking van 18 december 2025 vastgesteld dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Aan de eerder vastgestelde zorgregeling werd geen uitvoering gegeven. Aanleiding hiervoor was dat [minderjarige] zowel bij de moeder als bij [hulpverlening] uitingen heeft gedaan over de vader, waardoor er zorgen zijn ontstaan over het welbevinden en de veiligheid van [minderjarige] op het moment dat hij bij zijn vader verblijft. De vader weigerde mee te werken, waardoor er geen zicht werd verkregen op deze zorgen. De kinderrechter vond de houding van de vader zeer zorgelijk en kwalijk. Omdat er geen stappen konden worden gezet op deze zorgpunten, vond de kinderrechter dat het belang van [minderjarige] voorrang moest krijgen en dat hij voorlopig niet zelfstandig bij de vader kon verblijven zolang er geen zicht is op de situatie van de vader en de risico’s op onveiligheid van [minderjarige] . De kinderrechter heeft daarom bij de voornoemde beschikking bepaald dat de vader voorlopig alleen onder begeleiding contact kan hebben met [minderjarige] . In afwachting van het initiatief van de vader is de definitieve beslissing ten aanzien van de zorgregeling aangehouden.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht moet de kinderrechter helaas concluderen dat de situatie ongewijzigd is gebleven. De vader is opnieuw niet ter zitting verschenen om zijn zienswijze kenbaar te maken en weigert de samenwerking aan te gaan met de GI. Dit betekent dat er geen zicht is verkregen op de situatie van de vader en de gestelde zorgen. De kinderrechter vindt dit onacceptabel en acht niet in het belang van [minderjarige] dat de vader in deze omstandigheden onbegeleide omgang met [minderjarige] zou kunnen afdwingen. Op het moment dat de vader in contact wil staan met [minderjarige] , zal hij hiertoe het initiatief moeten nemen en zich moeten richten tot de casusregisseur, die na afloop van de ondertoezichtstelling betrokken zal zijn. Hoewel de kinderrechter van oordeel is dat de vader en [minderjarige] recht op omgang met elkaar hebben, zal er in eerste instantie gestart moeten worden met begeleide omgang om zodoende zicht te krijgen op de thuissituatie van de vader, zijn opvoedvaardigheden en zijn mogelijkheden om een veilig en stabiel contact aan te gaan met [minderjarige] . Het doel is om toe te werken naar de zorgregeling die de GI in haar aanvankelijke verzoek het meest in het belang van [minderjarige] achtte, te weten een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend voor school. De kinderrechter is van oordeel dat deze regeling pas van toepassing kan zijn als de casusregisseur vaststelt dat dit in het belang van [minderjarige] is. Het is aan de casusregisseur om te bepalen hoe het contact qua frequentie en duur zal worden opgebouwd. De kinderrechter bepaalt dat de gewijzigde regeling per direct zal ingaan en zal blijven gelden op het moment dat de ondertoezichtstelling is geëindigd [1] .
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
bepaalt, onder wijziging van de beschikking van 19 augustus 2021 en de hierop in aanvulling gegeven beschikking van 21 september 2022, dat de vader en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van begeleide omgang met elkaar en dat onder begeleiding van casusregie toegewerkt wordt naar een zorgregeling van een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend voor school;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 24 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265g lid 3 BW