ECLI:NL:RBZWB:2026:2186

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
11748328 \ CV EXPL 25-2999
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Zander
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst marketingopdracht via social media en gedeeltelijke ontbinding afgewezen

Partijen sloten een overeenkomst van opdracht voor contentmarketing en social media beheer met een totaalbedrag van €19.062,34, te betalen in zes maandelijkse termijnen. De eerste drie facturen werden betaald, de laatste drie niet. Hacibaba stelde wanprestatie door [opdrachtnemer] en vroeg gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst.

De kantonrechter oordeelde dat de tekortkomingen onvoldoende concreet en onvoldoende zwaarwegend waren om ontbinding te rechtvaardigen. Er waren geen afspraken over resultaat zoals volgersaantallen, en de erkende kleine fouten en het gebruik van ChatGPT binnen een grijs gebied rechtvaardigden geen ontbinding.

Hacibaba had onvoldoende onderbouwd dat er sprake was van structurele communicatieproblemen of onvoldoende inzet. De vordering van [opdrachtnemer] tot betaling van de openstaande facturen, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten werd toegewezen. Hacibaba werd tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente over deze kosten.

Uitkomst: Hacibaba wordt veroordeeld tot betaling van openstaande facturen, rente, incassokosten en proceskosten; gedeeltelijke ontbinding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11748328 \ CV EXPL 25-2999
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiseres], H.O.D.N. [opdrachtnemer],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [opdrachtnemer],
gemachtigde: Fyner Juridische Dienstverlening B.V.,
tegen
HACIBABA B.V.,
te Waalwijk,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Hacibaba,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 augustus 2025
- het bericht van 5 december 2025 met productie(s) van [opdrachtnemer]
- de mondelinge behandeling van 15 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [opdrachtnemer].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben met elkaar een overeenkomst van opdracht gesloten (hierna te noemen: de overeenkomst) met Hacibaba als opdrachtgever en [opdrachtnemer] als opdrachtnemer. De inhoud van de overeenkomst volgt uit de offerte van [opdrachtnemer] van 19 juli 2024 en het akkoord daarop van Hacibaba van 23 juli 2024.
2.2.
In voormelde offerte van [opdrachtnemer] van 19 juli 2024 is onder meer het volgende opgenomen: “
Ik help jullie graag om de contentmarketing van [bedrijf] op te zetten en uit te werken. Zodat jullie straks nog beter online zichtbaar zijn(…)
Ik werk doorgaans met 3 fases in contentmarketing(…)
Iedere fase duurt 2 tot 3 maanden.(…)
Verder hanteer ik doorgaans 1 feedbackmoment per oplevering/batch aan content.
Contentmarketing€ 6.785,00
Communitymanagement Instagram/Facebook (6 maanden)€ 1.890,00
E-mailmarketing€ 2.100,00
Lifestyle shoot: halve dag shortform video/foto social media€ 1.980,00
Betaalde campagne FB/IG€ 2.999,00
Inclusief gratis begeleiding/sparring meetings om de week (45 min)
Totaal € 15.754,00
BTW 21% € 3.308,24
Totaal te betalen incl. BTW € 19.062,34
2.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat voormeld bedrag van € 19.062,34 betaald zou worden op basis van zes maandelijkse facturen. De facturen van juli 2024, augustus 2024 en september 2024 zijn betaald, maar de facturen van oktober 2024, november 2024 en december 2024 ten bedrage van in totaal € 9.379,12 inclusief btw zijn onbetaald gebleven.
2.4.
Op 11 oktober 2024 hebben partijen een (tussentijds) evaluatiegesprek gehad en op 21 januari 2025 hebben partijen met elkaar gesproken over hun samenwerking in het verleden en de toekomst. In een WhatsApp-gesprek van 28 februari 2025 vraagt [opdrachtnemer] om betaling van de drie openstaande facturen. Daarop antwoordt Hacibaba dat zij de afspraak door een gedane investering niet kan nakomen en dat de betaling daarom naar verwachting een maand wordt uitgesteld. [opdrachtnemer] laat vervolgens weten dat zij het daarmee niet eens is. Daarna volgt nog meer correspondentie tussen (de gemachtigden van) partijen, maar betaling van de facturen blijft uit en partijen vinden onderling geen oplossing.

3.Het geschil

3.1.
[opdrachtnemer] vordert – samengevat – betaling van € 9.379,12 aan hoofdsom (openstaande facturen), te vermeerderen met rente en kosten.
3.2.
Hacibaba voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [opdrachtnemer].
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Hacibaba stelt dat er sprake is van wanprestatie aan de zijde van [opdrachtnemer]. De kantonrechter begrijpt het verweer van Hacibaba zo dat zij een beroep doet op gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst wegens een tekortkoming van [opdrachtnemer]. Volgens Hacibaba rechtvaardigt deze tekortkoming een gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst, in die zin dat partijen over en weer geen verplichtingen meer tegenover elkaar hebben uit hoofde van de overeenkomst.
4.2.
Het ligt op de weg van Hacibaba om het tekortschieten van [opdrachtnemer] voldoende concreet te stellen en zo nodig te bewijzen. Hacibaba stelt in dat kader dat de acties van [opdrachtnemer] te weinig resultaat hebben opgeleverd. Verder was er volgens Hacibaba een gebrek aan communicatie, transparantie en bereikbaarheid. Daarnaast heeft [opdrachtnemer] volgens Hacibaba nagelaten om haar volledige aandacht aan Hacibaba te schenken. Bovendien heeft Hacibaba twijfels over het aantal uren dat [opdrachtnemer] aan de opdracht heeft besteed. Tot slot stelt Hacibaba dat [opdrachtnemer] ChatGPT gebruikte, terwijl dat in strijd is met de gemaakte afspraken.
4.3.
[opdrachtnemer] erkent dat zij bij de uitvoering van de overeenkomst een paar kleine fouten heeft gemaakt. Zo zijn er een keer wat typefouten gemaakt en is er een keer niet goed gebruik gemaakt van ChatGPT. Echter, volgens [opdrachtnemer] rechtvaardigen deze fouten geen (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst. En voor het overige wordt de gestelde tekortkoming betwist. [opdrachtnemer] heeft naar eigen zeggen alle in de overeenkomst genoemde werkzaamheden naar behoren verricht.
4.4.
De kantonrechter overweegt dat Hacibaba tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij vooral de resultaten van de contentmarketing teleurstellend vindt. Meer concreet stelt Hacibaba dat de werkzaamheden van [opdrachtnemer] te weinig volgers hebben opgeleverd. Echter, partijen hebben geen afspraken gemaakt over een (minimum) aantal volgers dat de campagne van [opdrachtnemer] moest opleveren. Daarom kan de kantonrechter zich voorstellen dat Hacibaba het jammer vindt dat de campagne niet meer volgers heeft opgeleverd, maar dit levert geen tekortkoming aan de zijde van [opdrachtnemer] op. Overigens hebben partijen wel concrete afspraken gemaakt over bijvoorbeeld het aantal items (70), content templates (2) en nieuwsbrieven (6), maar Hacibaba heeft niet (voldoende) gesteld dat [opdrachtnemer] deze afspraken niet is nagekomen.
4.5.
Verder is de kantonrechter het met [opdrachtnemer] eens dat de door haar erkende fouten onvoldoende zijn om de (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst te rechtvaardigen. In het totale pakket van door [opdrachtnemer] verrichte werkzaamheden zijn deze fouten van onvoldoende gewicht. Bovendien blijkt uit de stukken ook niet dat [opdrachtnemer] ondanks waarschuwingen van Hacibaba heeft volhard in deze fouten. Van aanhoudende typefouten of andere slordigheden is niet gebleken. Verder stelt Hacibaba dat zij het gebruik van ChatGPT meerdere malen heeft verboden, maar uit de processtukken volgt dat dit genuanceerder ligt. Het gebruik van ChatGPT was wel toegestaan, maar dat mocht niet te vaak en te opvallend gebeuren, zoals blijkt uit de transcriptie van het evaluatiegesprek van 11 oktober 2024 (00:45:34 tot 00:45:45). Dat levert een grijs gebied op en Hacibaba heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat [opdrachtnemer] de grens van dit grijze gebied zodanig heeft overschreden dat dit de (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst zou rechtvaardigen.
4.6.
Tot slot is de kantonrechter van oordeel dat Hacibaba de overige door haar gestelde tekortkomingen onvoldoende heeft geconcretiseerd. Hacibaba stelt dat er een structureel gebrek was aan communicatie, transparantie en bereikbaarheid. Ter onderbouwing van die stelling verwijst Hacibaba naar de als productie 1 overgelegde WhatsApp-correspondentie, maar (mede) in het licht van het gemotiveerde verweer van [opdrachtnemer] op deze punten is deze algemene verwijzing naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende. Ook de – betwiste – stelling dat [opdrachtnemer] te weinig aandacht voor Hacibaba had en te weinig uren aan Hacibaba besteedde, heeft Hacibaba naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende geconcretiseerd. Daarbij is van belang dat het [opdrachtnemer] als opdrachtnemer in beginsel is toegestaan om werk te verrichten voor meerdere opdrachtgevers. Dat kan anders zijn als exclusiviteit is overeengekomen, maar gesteld noch gebleken is dat daarvan in dit geval sprake is.
4.7.
Het voorgaande brengt mee dat de door [opdrachtnemer] gevorderde hoofdsom van € 9.379,12 toewijsbaar is. Ook de gevorderde wettelijke handelsrente daarover is toewijsbaar.
4.8.
[opdrachtnemer] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [opdrachtnemer] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [opdrachtnemer] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [opdrachtnemer] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. De gevorderde btw zal worden afgewezen, omdat [opdrachtnemer] niet heeft gesteld geen ondernemer te zijn op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 of als ondernemer een vrijgestelde prestatie te hebben verricht. Daarom zal een bedrag van € 843,96 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Omdat [opdrachtnemer] niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
4.9.
Hacibaba is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [opdrachtnemer] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
432,00
(1 punt × € 432,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
937,85
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Hacibaba om aan [opdrachtnemer] te betalen een bedrag van € 9.379,12, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 7 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt Hacibaba om aan [opdrachtnemer] te betalen een bedrag van € 843,96 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt Hacibaba in de proceskosten van € 937,85, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Hacibaba niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt Hacibaba tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.