Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
2.Wat vaststaat
3.Het verzoek
4.De standpunten
5.De beoordeling
6.De beslissing
tot en met 6 april 2026.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene verblijft sinds 17 februari 2026 in een verpleeginstelling op grond van een inbewaringstelling door de burgemeester van Schouwen-Duiveland. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzoekt om verlenging van deze inbewaringstelling voor zes weken.
Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, is betrokkene gehoord, bijgestaan door een waarnemend advocaat. Betrokkene ontkent problemen en wil graag naar huis, maar vertoont geheugenverlies en achterdocht, waaronder agressief gedrag richting haar echtgenoot. De echtgenoot is uit veiligheidsoverwegingen vertrokken.
De specialist ouderengeneeskunde en kwaliteitsverpleegkundige bevestigen het vermoeden van vasculaire dementie en ernstige neurocognitieve stoornissen, met een progressief ziektebeeld dat 24-uurs toezicht en zorg vereist. Thuiszorg wordt geweigerd en de thuissituatie is onhoudbaar.
De rechtbank oordeelt dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, waaronder levensgevaar en ernstige psychische schade. Gezien het gebrek aan ziektebesef en het ontbreken van minder bezwarende alternatieven, is voortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk en geschikt om het nadeel te voorkomen. De machtiging wordt verleend voor zes weken tot en met 6 april 2026.
Uitkomst: De rechtbank verleent de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling voor zes weken wegens ernstig dreigend nadeel door neurocognitieve stoornissen en vermoedelijke vasculaire dementie.