ECLI:NL:RBZWB:2026:2211

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
11989498 \ CV EXPL 25-3956
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Ebben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand

In deze zaak vordert verhuurder WonenBreburg de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de huurwoning vanwege een aanzienlijke huurachterstand. De huurder erkent de achterstand en licht toe dat zijn bewindvoering is opgeheven, hij meerdere schulden heeft en momenteel in de ziektewet zit.

De kantonrechter stelt vast dat de huurachterstand op het moment van dagvaarden ruim vier maanden bedroeg en inmiddels is opgelopen tot bijna zes maanden, wat ernstig genoeg is voor ontbinding. De omstandigheden van de huurder, zoals ziekte en dreigend dakloosheid, zijn onvoldoende om ontbinding te voorkomen.

De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, toekomstige huurpenningen tot aan ontruiming, en een gebruiksvergoeding voor de periode na ontbinding tot daadwerkelijke ontruiming. Tevens moet hij de woning binnen veertien dagen ontruimen en de proceskosten betalen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurder wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van de huurachterstand en gebruiksvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11989498 \ CV EXPL 25-3956
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
STICHTING WONENBREBURG,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: WonenBreburg,
gemachtigde: LAVG Groningen,
tegen
voorheen: DE BESLOTEN VENNOOTSCHAP STERCK FINANCIËLE ZORGVERLENING B.V. IN HAAR HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER VAN [huurder] ,
thans: [huurder],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de vraag of de huurovereenkomst tussen verhuurder WonenBreburg en [huurder] moet worden ontbonden en de huurwoning moet worden ontruimd door een huurachterstand. De kantonrechter zal de vorderingen van WonenBreburg (grotendeels) toewijzen. Hieronder legt de kantonrechter uit waarom.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 november 2025
- het extract audiëntieblad houdende de conclusie van antwoord van 3 december 2025
- de brief van 13 februari 2026 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 23 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de akte van WonenBreburg van 6 februari 2026 met een specificatie van de huurachterstand.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
WonenBreburg verhuurt met ingang van 23 februari 2026 aan [huurder] de woning aan het [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 751,55 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
De huurprijs bedraagt momenteel € 751,55 per maand en is bij vooruitbetaling voor de eerste dag van de maand verschuldigd.
2.3.
WonenBreburg heeft [huurder] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [huurder] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. WonenBreburg heeft [huurder] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.
2.4.
Het bewind van [huurder] is opgeheven bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 30 oktober 2025 en wel per 15 november 2025.

3.Het geschil

3.1.
WonenBreburg vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 3.604,08 aan huurachterstand met nevenvorderingen.
3.2.
WonenBreburg legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [huurder] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens WonenBreburg de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[huurder] erkent dat er een huurachterstand bestaat zoals door WonenBreburg aangegeven. Verder voert [huurder] aan dat zijn bewind is opgeheven omdat er geen contact tussen hem en zijn bewindvoerder mogelijk was. Afgelopen jaren zijn meerdere operaties geweest en momenteel zit [huurder] in de ziektewet. Er is sprake van meerdere schulden. [huurder] woont alleen in de woning. Tot slot voert [huurder] aan dakloos te raken bij het kwijtraken van zijn woning.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Procespartij
4.1.
Nu gedurende deze procedure het bewind is opgeheven is [huurder] weer processueel bekwaam geworden. Dit brengt mee dat dat hij de procedure als formele procespartij overneemt en dat de bewindvoerder niet langer als partij in het geding betrokken is.
Er is sprake van een (opgelopen) huurachterstand
4.2.
[huurder] heeft erkend dat er een huurachterstand is die tot en met februari 2026 berekend is op een bedrag van € 5.128,48. De kantonrechter zal de gevorderde betaling hiervan dan ook toewijzen.
De huurovereenkomst wordt ontbonden en van [huurder] moet het gehuurde verlaten
4.3.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [2]
4.4.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand ruim vier maanden. De huurachterstand is tijdens de procedure toegenomen en bedraagt inmiddels bijna zes maanden. De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. De door [huurder] genoemde omstandigheden zijn onvoldoende om tot het oordeel te komen dat ontbinding niet gerechtvaardigd is. De kantonrechter zal de huurovereenkomst daarom ontbinden en de gevorderde ontruiming toewijzen.
Laatste kans
4.5.
WonenBreburg heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij weinig mogelijkheden ziet om een ontruiming te voorkomen. Zij is wel bereid om hierover na te denken, maar dan moeten er nog veel stappen worden gezet door [huurder] waaronder een nieuwe aanmelding bij schuldhulpverlening en bewindvoering. Ook moet in ieder geval de lopende huur betaald worden.
Vervaltermijnen en toekomstige huurtermijnen
4.6.
WonenBreburg wil ook dat [huurder] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 751,55, te rekenen vanaf de maand 1 maart 2026 tot het moment dat [huurder] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [huurder] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.
Proceskosten
4.7.
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van WonenBreburg worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.310,14
Uitvoerbaar bij voorraad
4.8.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het [adres] in [plaats] ,
5.2.
veroordeelt [huurder] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van WonenBreburg zijn, en de sleutels af te geven aan WonenBreburg,
5.3.
veroordeelt [huurder] om te betalen aan WonenBreburg:
- een bedrag van € 5.128,48 aan achterstallige huur tot en met februari 2026,
- een bedrag van € 751,55 per maand aan nog te vervallen huurpenningen vanaf
1. maart 2026, behoudens een huurverhoging, tot en met de datum van ontbinding van de huurovereenkomst,
- een bedrag van € 751,55 per maand als gebruiksvergoeding, voor iedere maand of gedeelte daarvan dat van [huurder] het gehuurde na ontbinding van de huurovereenkomst in gebruikt houdt, behoudens een huurverhoging, tot het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
5.4.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.310,14, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
5.5.
verklaart het vorenstaande uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.
2.HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)