ECLI:NL:RBZWB:2026:2215

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
11798826 CV EXPL 25-3636
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Tilman-Knoester
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:755 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling meerwerk levering en montage deurdrangers in aannemingsovereenkomst

In deze civiele bodemzaak staat de vraag centraal of gedaagde partij aan eiseres een bedrag verschuldigd is voor meerwerk in het kader van een aannemingsovereenkomst betreffende levering en montage van deuren en deurdrangers.

De rechtbank stelt vast dat partijen verschillen van mening over de inhoud van de overeenkomst en of de uitgevoerde werkzaamheden als meerwerk kwalificeren. De kantonrechter past de Haviltex-norm toe om de overeenkomst uit te leggen en concludeert dat de offerte van eiseres onderdeel uitmaakt van de overeenkomst, ondanks betwisting door gedaagde.

Uit bewijsstukken, waaronder e-mailcorrespondentie en een Excel-overzicht, blijkt dat 11 deurdrangers zijn geplaatst als meerwerk, maar slechts 9 daarvan in rekening gebracht mogen worden. Voor de twee deuren is onvoldoende onderbouwing dat deze als meerwerk gelden. De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van €2.563,02 inclusief btw voor het meerwerk aan deurdrangers, plus wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De vordering voor de twee deuren wordt afgewezen. Tevens worden proceskosten toegewezen aan eiseres.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €2.563,02 inclusief btw voor meerwerk deurdrangers, plus rente en kosten; vordering voor twee deuren wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11798826 \ CV EXPL 25-3636
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[gedaagde 1] B.V., M.H.O.D.N. [handelsnaam],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
gemachtigde: LegalSteps B.V.,
tegen
[gedaagde 2] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gemachtigde: DAS Rechtsbijstand Amsterdam.
De zaak in het kort
In deze zaak is sprake van een overeenkomst van aanneming van werk. Het gaat om de vraag of [gedaagde 2] aan [gedaagde 1] nog een bedrag aan meerwerk verschuldigd is voor de levering en montage van 11 deurdrangers en 2 deuren. [gedaagde 2] meent van niet en stelt dat de uitgevoerde werkzaamheden verdisconteerd waren in de overeenkomst. De kantonrechter vindt dat [gedaagde 1] ten aanzien van de deurdrangers voldoende heeft onderbouwd dat sprake was van meerwerk. Dat geldt echter niet voor de twee deuren. In het navolgende zal de kantonrechter dat verder toelichten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 13 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de akte na zitting van [gedaagde 1]
- de akte uitlating bewijs na zitting van [gedaagde 2] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
In 2021 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een overeenkomst van aanneming van werk gesloten met betrekking tot de levering en montage van deuren op het [project] te [plaats 3] voor een bedrag van in totaal € 41.500,00 exclusief btw.
2.2.
Op 15 september 2022 heeft [uitvoerder] , als uitvoerder werkzaam bij [gedaagde 2] , aan [gedaagde 1] het volgende bericht: “
[naam 1] zoals vanmorgen reeds tel besproken het verzoek om deurdrangers te leveren en te plaatsen zie bijgaande tekeningen.”
2.3.
Op 19 september 2022 heeft [naam 1] namens [gedaagde 1] aan [uitvoerder] , voornoemd, het volgende bericht: “
We hebben vandaag 11 deurdrangers geplaatst op de voorportaaldeuren van de toiletten (geen 12 zoals ik van je hoorde). Helaas bleek de deur naar de lerarenkamer niet nodig te zijn. De deur naar de muziekruimte hebben we gemonteerd. De doorslaande deur 1.32 hebben we niet kunnen plaatsen. (…) Er zit nu geen deur in. Deze week heb ik nog geen ruimte om het af te maken. Mocht er iets uitvallen dan gaan we erheen.”
2.4.
Op 29 september 2022 is namens [gedaagde 1] [gedaagde 2] verzocht om een prestatiebon ten behoeve van de facturering van uitgevoerde werkzaamheden: levering en montage van 11 deurdrangers en 2 binnendeuren.
2.5.
[gedaagde 1] heeft [gedaagde 2] op 11 september 2024 bericht dat zij heeft ontdekt dat zij nooit de bon voor het uitvoeren van het meerwerk heeft ontvangen en dat zij als gevolg daarvan ook geen factuur heeft verzonden. [gedaagde 1] heeft gevraagd om alsnog een bon te sturen om te kunnen facturen.
2.6.
[naam 2] heeft namens [gedaagde 2] aan [gedaagde 1] op 10 oktober 2024 het volgende bericht:
“Op 10-10-22, dus na je verzoek voor de werkbon, is door [naam 3] met jou een afrekening gemaakt. De meerwerken zijn hierin niet meegenomen. Dit had wel gemoeten omdat dit werk nu voor ons afgesloten is. Nu is de meerwerk opgave van de drangers en deuren ook nog eens een onderdeel van een geschil dat wij hebben met [bedrijf] . Wij hebben hier dus ook nog geen goedkeuring op ontvangen. Voor dit geschil hebben wij eind van deze maand een gesprek gepland staan als wij hieruit komen dan zal ik contact met je opnemen hoe we dit gaan afhandelen. Ik verzoek je dus om nog even geduld te hebben.”
2.7.
Op 15 november 2024 heeft [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] een bedrag van € 4.142,74 inclusief btw gefactureerd in verband met de levering en montage van 11 deurdrangers en 2 binnendeuren, te betalen binnen 4 weken na factuurdatum.
2.8.
[gedaagde 2] heeft daarna aan [gedaagde 1] per e-mail bericht dat de factuur niet kan worden verwerkt en dat deze wordt geretourneerd, omdat de opdrachtbon (prestatiebon) ontbreekt.
2.9.
Op 28 februari 2025 is [gedaagde 2] namens [gedaagde 1] tot betaling van het bedrag gesommeerd. Betaling is uitgebleven.

3.Het geschil

3.1.
[gedaagde 1] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde 2] tot betaling van € 4.142,74, vermeerderd met rente en kosten.
Zij legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde 2] gehouden is tot betaling van het uitgevoerde meerwerk. De daarvoor verzonden factuur heeft [gedaagde 2] – ondanks sommatie – geweigerd te betalen. [gedaagde 2] wijst in de correspondentie erop dat de prestatiebon ontbreekt, maar [gedaagde 2] weigert deze te verstrekken zodat het [gedaagde 1] feitelijk onmogelijk wordt gemaakt de vergoeding voor de werkzaamheden te incasseren, aldus [gedaagde 1] .
3.2.
[gedaagde 2] voert verweer.
Kort gezegd betwist [gedaagde 2] dat opdracht is gegeven voor meerwerk. Zij stelt dat de gefactureerde werkzaamheden onderdeel uitmaakten van de oorspronkelijke overeenkomst.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Kern van het geschil is de vraag of de door [gedaagde 1] uitgevoerde werkzaamheden, waarvan betaling wordt gevorderd, meerwerk betreffen. Tijdens de mondelinge behandeling is met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uitgebreid gesproken over de oorspronkelijke opdracht en op welke de werkzaamheden die betrekking had. Daarna heeft [gedaagde 1] aangeboden om schriftelijk bewijs te leveren van haar stellingen dat sprake is geweest van meerwerk. De kantonrechter heeft in verband daarmee de behandeling van de zaak aangehouden.
4.2.
Op grond van artikel 7:755 van Pro het Burgerlijk Wetboek kan de aannemer in geval van door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk slechts dan een verhoging van de prijs vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.
4.3.
Om te kunnen beoordelen of sprake is van toevoegingen (meerwerk), moet eerst beoordeeld worden welke werkzaamheden tot de oorspronkelijk overeenkomst behoorden.
De deurdrangers
4.4.
De kantonrechter stelt vast dat partijen van mening verschillen over de uitleg van de overeenkomst. Bij de uitleg van de afspraken tussen partijen komt het aan op dat wat zij over en weer hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid, en van wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zogenoemde Haviltex-norm). Daarbij spelen alle omstandigheden van het geval een rol. [1]
4.5.
Bij voormelde akte heeft [gedaagde 1] aangegeven dat zij destijds aan [gedaagde 2] een offerte heeft gezonden, welke volgens [gedaagde 1] onderdeel uitmaakte van de opdrachtbevestiging.
Volgens haar blijkt uit de offerte en de bijbehorende specificatie dat [gedaagde 1] in het kader van de hoofdopdracht verantwoordelijk was voor het leveren en monteren van deuren.
4.6.
[gedaagde 2] stelt dat de rechtsverhouding tussen partijen moet worden gebaseerd op de opdrachtbevestiging, welke door hen beiden is ondertekend en als bindend contract heeft te gelden. Deze opdrachtbevestiging is gebaseerd op het bestek en bijbehorende tekeningen. De offerte van [gedaagde 1] is nooit door [gedaagde 2] geaccepteerd en kan om die reden geen onderdeel uitmaken van de overeenkomst. Het eenzijdig en achteraf toevoegen door [gedaagde 1] van de zin dat
‘de inhoud van de offerte onderdeel vormt van deze overeenkomst’kan juridisch geen effect sorteren, aldus [gedaagde 2] .
4.7.
Vraag is dus of de offerte onderdeel uitmaakt van de opdrachtbevestiging en daarmee bepalend is voor de inhoud van de overeenkomst die partijen hebben gesloten.
4.8.
De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.9.
Allereerst stelt de kantonrechter vast dat in de opdrachtbevestiging allerlei documenten zijn vermeld die van toepassing zijn op het werk ‘ [project] ’. Verder is op de opdrachtbevestiging geschreven dat
”de inhoud van de offerte onderdeel vormt van de overeenkomst.”Ook stelt de kantonrechter vast dat [gedaagde 2] aanvankelijk bij antwoord heeft bevestigd dat de offerte onderdeel uitmaakte van de overeenkomst, terwijl [gedaagde 2] nadien in de akte heeft gesteld dat de offerte van [gedaagde 1] geen onderdeel is van de opdrachtbevestiging met de stelling dat dit er later door [gedaagde 1] eenzijdig is bijgeschreven. Het bevreemdt de kantonrechter dat [gedaagde 2] haar standpunt op dit onderdeel heeft gewijzigd, zeker omdat [gedaagde 2] zelf bij antwoord de versie met de betreffende zinsnede in het geding heeft gebracht.
4.10.
[gedaagde 1] heeft als productie 12 bij de antwoordakte een e-mailbericht van 30 april 2022 van [naam 1] aan [gedaagde 2] overgelegd. In dit e-mailbericht heeft [naam 1] de toegezonden overeenkomst ondertekend retour gestuurd, met daarbij uitdrukkelijk de opmerking dat de overeengekomen offerte onderdeel is van de overeenkomst. Niet gebleken is dat [gedaagde 2] daartegen bezwaar heeft gemaakt. Indien dat wel het geval was geweest, had het op de weg van [gedaagde 2] gelegen om dit gemotiveerd te weerspreken. Tot slot is onweersproken gebleven dat de aanneemsom correspondeert met het bedrag vermeld in de offerte. Gelet op al deze feiten en omstandigheden volgt de kantonrechter het standpunt van [gedaagde 1] dat de offerte onderdeel was van de overeenkomst en niet slechts een interne begroting, zoals [gedaagde 2] heeft betoogd. Ook de verwijzing van [gedaagde 2] naar de bestektekeningen kan haar niet baten, nu dit een algemene richtlijn is voor alle bij het project betrokken (onder)aannemers en niet alleen jegens [gedaagde 1] .
4.11.
Vervolgens moet worden vastgesteld welke werkzaamheden zijn overeengekomen. In de offerte van [gedaagde 1] is een gedetailleerde opsomming gegeven van de geoffreerde (en dus overeengekomen) werkzaamheden.
4.12.
Uit de montageberekening binnendeuren, pagina 4 van de offerte, blijkt dat is voorzien in 38 maal het monteren van een deurdranger en het inregelen bij houten kozijn. Als productie 12 bij de akte heeft [gedaagde 1] een Exceloverzicht overgelegd van alle deuren die in het kader van de hoofdopdracht zijn besteld. [gedaagde 1] heeft daarbij toegelicht dat in de kolom ‘dranger’ is aangegeven bij welke deuren al een deurdranger aanwezig was en dat de gearceerde deurnummers de deuren zijn waarvoor op een later moment alsnog een deurdranger moest worden besteld en gemonteerd. Volgens [gedaagde 1] komen de deurnummers overeen met de plattegrond waarop de uitvoerder heeft aangegeven bij welke deuren nog deurdrangers gemonteerd moesten worden, productie 13 bij de akte.
4.13.
[gedaagde 2] stelt dat productie 12 niet kan gelden als bewijs voor meerwerk, omdat niet wordt aangetoond welke specifieke deuren of deurdrangers niet op de tekeningen of in het bestek voorkwamen en deze toch zijn geleverd en gemonteerd.
4.14.
De kantonrechter overweegt dat [gedaagde 2] niet heeft weersproken dat haar uitvoerder op de plattegrond heeft aangegeven welke deuren nog moesten worden voorzien van deurdrangers [2] . De kantonrechter begrijpt dat dit de tekening is waarnaar de uitvoerder in zijn e-mailbericht van 15 september 2022 verwijst, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat. Productie 12 betreft weliswaar de bestellijst die door [gedaagde 1] is opgemaakt ten behoeve van de opdracht, maar hieruit kan wel worden afgeleid welke deuren zij aanvankelijk zonder dranger zou leveren en welke deuren met deurdranger. [gedaagde 1] heeft op deze lijst de later geleverde en gemonteerde deurdrangers gearceerd, welke deuren op hun beurt overeenkomen met de tekening van de uitvoerder van [gedaagde 2] . Uit de e-mail van [naam 1] van 19 september 2022, enkele dagen na de bevestiging van de uitvoerder van 15 september 2022, blijkt dat 11 deurdrangers zijn geplaatst op de voorportaaldeuren van de toiletten. Dit (aantal) komt overeen met de omschrijving van de deurnummers op de hang- en sluitwerkstaat van 6 april 2022 overgelegd als productie 14 bij de akte.
4.15.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde 1] op grond van het voorgaande voldoende gemotiveerd onderbouwd dat ten aanzien van de 11 deurdrangers sprake is van meerwerk. Weliswaar ontbreekt een vooraf gegeven akkoord over de prijsverhoging, maar uit het e-mailbericht dat namens [gedaagde 2] op 10 oktober 2024 aan [gedaagde 1] is gestuurd, kan worden afgeleid dat [gedaagde 2] in beginsel had ingestemd met het meerwerk en kennelijk ook met de prijsverhoging.
4.16.
Tot moet worden beoordeeld of de vordering met betrekking tot de 11 deurdrangers toewijsbaar is. Uit de offerte blijkt dat [gedaagde 1] bij de prijsbepaling is uitgegaan van 38 deurdrangers, terwijl slechts 36 deurdrangers waren besteld en geleverd, zoals blijkt uit het Excel-overzicht van productie 12. Nadien zijn de 11 extra deurdrangers geplaatst. Dit betekent dat [gedaagde 1] per saldo 9 deurdrangers als meerwerk in rekening had moeten brengen en niet 11 stuks, zoals zij heeft gedaan. Omdat de offerte onderdeel uitmaakt van de overeenkomst, gaat de kantonrechter uit van de daarin vermelde aantallen en zal zij de factuur corrigeren tot een bedrag van € 1.798,20 exclusief btw voor de levering van 9 deurdrangers en € 320,00 exclusief btw voor de montage van 9 drangers en de reparatie deur(dranger).
4.17.
Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat voor 9 deurdrangers en montage daarvan ter zake van meerwerk een bedrag van in totaal € 2.118,20
(€ 1.798,20 + € 320,00) exclusief btw ofwel € 2.563,02 inclusief btw toewijsbaar is, alsmede de onweersproken gebleven wettelijke rente over dit bedrag.
De twee deuren
4.18.
Met betrekking tot de stelling dat de twee deuren ook moeten worden beschouwd als meerwerk, heeft [gedaagde 1] in de akte toegelicht dat in het e-mailbericht van de uitvoerder van
21 juli 2022 is aangegeven dat de deuren nog moesten worden besteld en worden geïnstalleerd en dat dit e-mailbericht overeenkomt met het e-mailbericht van de uitvoerder van
15 september 2022.
4.19.
De uitvoerder heeft in het e-mailbericht van 21 juli 2022 het volgende bericht:
“Deur positie 1 muziekkamer sponningmaat strak 93.3 bij 233.5. 40 mm deur deze is waarschijnlijk door u wel ingemeten maar hij is niet op de bouw. Deur positie 2 deur lerarenkamer bestaande deur alleen draait deze verkeerd om en is beschadigd maat bestaande deur 92.5 bij 231.0 dik 40. Deur positie 3 is dubbele deur zit bij u in opdracht maar is niet op de bouw.”
4.20.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan uit de inhoud van dit bericht niet worden afgeleid dat het gaat om deuren die niet waren verdisconteerd in de oorspronkelijke opdracht. De uitvoerder schrijft alleen ‘dat de deur voor de muziekkamer door u wel is ingemeten maar nog niet op de bouw is en dat ‘deur positie 3 bij u in opdracht zit’, maar uit deze bewoordingen kan niet worden afgeleid dat het meerwerk betreft. Ook de verwijzing naar het e-mailbericht van 22 september 2022 kan [gedaagde 1] niet baten, omdat in dat bericht alleen wordt gesproken over de deurdrangers en niet over eventuele extra deuren. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [gedaagde 1] onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd dat sprake is van meerwerk. De omstandigheid dat in het e-mailbericht van 10 oktober 2024 is ingestemd met het meerwerk maakt dit oordeel niet anders, want dit bericht ziet ook op de deurdrangers, waarvan wel wordt aangenomen dat dit meerwerk betrof.
4.21.
De vordering met betrekking tot de twee deuren zal dan ook worden afgewezen.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.22.
[gedaagde 1] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Anders dan [gedaagde 2] stelt is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde 1] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [gedaagde 1] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 381,30 worden toegewezen.
De proceskosten
4.23.
[gedaagde 2] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
632,50
(2,5 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.395,35
4.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [gedaagde 1] te betalen een bedrag van € 2.563,02 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag met ingang van 13 december 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [gedaagde 1] te betalen een bedrag van € 381,30 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van € 1.395,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel
6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex)
2.Productie 13.