ECLI:NL:RBZWB:2026:222

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
11680291 CV EXPL 25-2141 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Badal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:96 BWArt. 25.3 algemene bepalingen huurovereenkomstArt. 706 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vorderingen tot ontbinding en ontruiming wegens huurachterstand bedrijfsruimte

De verhuurder [eiser] verhuurt bedrijfsruimte aan DVVT. Vanwege een huurachterstand vordert [eiser] betaling van de achterstand, contractuele boetes, incassokosten, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. DVVT betwist de vorderingen en stelt dat de achterstand is betaald en dat de onderneming wordt verkocht aan een koper die de huurovereenkomst wil voortzetten.

De kantonrechter stelt vast dat DVVT vanaf december 2024 structureel te laat heeft betaald, ondanks eerdere procedures over huurachterstanden. Dit vormt een tekortkoming die ontbinding rechtvaardigt. Het verweer dat een koper de huurovereenkomst wil voortzetten wordt verworpen omdat er geen koper is en de verhuurder niet verplicht is hiermee akkoord te gaan.

De kantonrechter veroordeelt DVVT tot betaling van de huurachterstand, contractuele boetes en incassokosten, tot betaling van huur vanaf oktober 2025 tot ontbinding en gebruiksvergoeding tot ontruiming. Tevens wordt ontbinding van de huurovereenkomst uitgesproken en ontruiming bevolen. Proceskosten en beslagkosten worden eveneens aan DVVT opgelegd.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en DVVT wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van huurachterstand, boetes, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11680291 \ CV EXPL 25-2141
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: LAVG Groningen,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE VRIENDEN VAN TILBURG B.V.,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: DVVT,
procederend in persoon, vertegenwoordigd door [naam] , directeur van DVVT.
De zaak in het kort
[eiser] verhuurt aan DVVT bedrijfsruimte. Wegens een huurachterstand vordert [eiser] van DVVT betaling van de huurachterstand, een boete en buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast vordert [eiser] wegens een structurele huurachterstand ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. DVVT betwist de vorderingen. DVVT voert aan dat de huurachterstand inmiddels is betaald en zij bezig is met verkoop van de onderneming aan een koper die de huurovereenkomst met [eiser] wil voortzetten. De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer van DVVT en wijst de vorderingen van [eiser] toe. Hierna zal worden uitgelegd waarom.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 april 2025 met producties;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek met producties, tevens akte vermindering en wijziging van eis;
- de conclusie van dupliek;
- de rolbeslissing van 25 juni 2025;
- de akte uitlaten van [eiser] , tevens akte wijziging van eis met producties;
- de antwoordakte van DVVT.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] verhuurt aan DVVT de bedrijfsruimte aan [adres] tegen een maandelijks vooruit te betalen huurprijs van laatstelijk € 9.169,53.
2.2.
Op de gesloten huurovereenkomst zijn algemene bepalingen van toepassing verklaard.
2.3.
Op 9 september 2024 heeft [eiser] DVVT gedagvaard wegens een huurachterstand tot en met september 2024 van € 30.085,78. Die achterstand heeft DVVT lopende de procedure betaald waarna die procedure op verzoek van [eiser] is doorgehaald.
2.4.
Vanaf december 2024 heeft DVVT een nieuwe huurachterstand laten ontstaan. DVVT heeft betalingen gedaan op de huurachterstand.
2.5.
Op 19 september 2025 heeft [eiser] verlof gevraagd aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant om beslag te leggen op roerende zaken van DVVT in verband met de huurachterstand. De voorzieningenrechter heeft dat verlof verleend.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat en na eiswijzigingen – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Daarnaast vordert [eiser] dat DVVT wordt veroordeeld tot betaling van:
  • € 31.517,10 aan huurachterstand tot en met september 2025, contractuele boetes en buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw,
  • € 9.169,53 per maand aan huur vanaf 1 oktober 2025 tot ontbinding en voormeld bedrag als gebruiksvergoeding vanaf de ontbinding tot de ontruiming, vermeerderd met de contractuele boete van € 300,00 per maand vanaf de data van opeisbaarheid,
  • de kosten van de procedure, waaronder conservatoire beslagkosten en nakosten.
3.2.
DVVT voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Huurachterstand
4.1.
[eiser] vordert na eiswijzigingen dat DVVT wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 27.508,59 aan huurachterstand tot en met september 2025. DVVT voert in haar antwoordakte aan dat alle huur is betaald en legt een rekeningafschrift over met betalingen. Vanuit proceseconomie zal [eiser] niet meer in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren. De gevorderde huurachterstand zal worden toegewezen en voor zover [eiser] de gestelde betalingen heeft ontvangen, wordt hij verzocht daarmee rekening te houden en die in mindering te brengen op de toe te wijzen huurachterstand.
Ontbinding en ontruiming
4.2.
[eiser] vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde wegens een structurele betalingsachterstand.
4.3.
De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Op grond van artikel 6:265 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Volgens vaste rechtspraak is het structureel te laat betalen een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst die ontbinding van de huurovereenkomst kan rechtvaardigen. Of het herhaaldelijk te laat betalen van de huur in een concrete situatie ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, moet beoordeeld worden aan de hand van de relevante omstandigheden van het geval.
4.4.
Vaststaat dat DVVT de huur voor de bedrijfsruimte vanaf december 2024 tot en met september 2025 structureel niet vóór de eerste van de maand heeft betaald, hetgeen wel is overeengekomen. De te late betaling volgt uit productie 2 van de laatste akte van [eiser] . De omstandigheid dat de huur op enig moment alsnog, (te laat) wordt betaald, neemt de tekortkoming niet weg. Daarbij weegt ook mee dat [eiser] al eerder een procedure is gestart tegen DVVT wegens een huurachterstand tot en met september 2024 van € 30.085,78 die vervolgens pas lopende die procedure is betaald. Door vervolgens vrij snel weer steeds een huurachterstand te laten ontstaan, is er sprake van tekortkomingen die de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde in beginsel rechtvaardigt.
4.5.
De door DVVT gestelde omstandigheid dat zij de onderneming wil verkopen en een kopende partij de huurovereenkomst wil voortzetten maakt het voorgaande niet anders. Het staat [eiser] als verhuurder in beginsel vrij om niet akkoord te gaan met een voorgedragen huurder. Daarbij komt dat DVVT bij antwoordakte erkent dat er momenteel geen koper is. Eventuele financiële problemen bij DVVT maken het voorgaande ook niet anders. De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zijn daarom toewijsbaar. Aan de door DVVT in haar antwoordakte genoemde voorwaarden waaronder zij akkoord wil gaan met ontbinding wordt verder niet toegekomen.
Huur tot de datum van ontbinding en gebruiksvergoeding tot ontruiming
4.6.
[eiser] vordert dat DVVT wordt veroordeeld tot het betalen van de huur van € 9.169,53 per maand vanaf oktober 2025 tot het tijdstip van ontbinding en tot het betalen van € 9.169,53 per maand aan gebruiksvergoeding vanaf de ontbinding tot de datum van ontruiming. Deze vorderingen zijn toewijsbaar.
Boetes
4.7.
[eiser] vordert contractuele boetes op grond van artikel 25.3 van de algemene bepalingen van totaal 3.000,00. De kantonrechter begrijpt dat deze boete ziet op te late betaling over de periode december 2024 tot en met september 2025. DVVT heeft de verschuldigdheid van deze boete niet (althans onvoldoende) weersproken en deze zal worden toegewezen.
4.8.
Daarnaast vordert [eiser] de boete van € 300,00 per maand voor zover er vanaf oktober 2025 tot de ontbinding te laat wordt betaald. Die vordering zal ook worden toegewezen. De vordering van [eiser] tot betaling van de boete van € 300,00 per maand vanaf de ontbinding zal worden afgewezen. Na ontbinding van de overeenkomst is er namelijk geen (contractuele) grondslag meer voor die boete.
Buitengerechtelijke kosten
4.9.
[eiser] vordert ook buitengerechtelijke incassokosten van € 1.008,51 inclusief btw die hij baseert op een achterstand van € 9.169,53. De kantonrechter moet de vordering beoordelen op grond van artikel 6:96 BW Pro en op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende gesteld en onderbouwd heeft dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht in januari en februari 2025. Dit leidt ertoe dat een bedrag van € 833,48 toewijsbaar is gebaseerd op de gestelde achterstand van € 9.169,53. [eiser] heeft niet onderbouwd dat hij de btw niet kan verrekenen, waardoor de buitengerechtelijke kosten niet worden verhoogd met btw.
Beslagkosten
4.10.
[eiser] vordert betaling van kosten van conservatoir beslag en stelt dat de kosten bestaan uit griffierecht en salaris advocaat voor het opstellen van het beslagverzoek. [eiser] stelt nog geen aanspraak te maken op explootkosten omdat het beslag nog niet daadwerkelijk is gelegd. DVVT heeft geen verweer gevoerd tegen de beslagkosten.
4.11.
De kantonrechter is van oordeel dat de gemaakte beslagkosten op grond van het bepaalde in artikel 706 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) toewijsbaar zijn. De beslagkosten worden begroot op € 945,00 (€ 614,00 aan salaris advocaat en € 331,00 aan griffierecht).
Proceskosten
4.12.
DVVT is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Het door [eiser] betaalde griffierecht voor het beslagverzoek zal in mindering worden gebracht op het griffierecht in deze zaak. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
401,00
(€ 732,00 -/- € 331,00)
- salaris gemachtigde
2.037,50
(2,5 punten × € 815,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.695,85

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte aan het [adres] ,
5.2.
veroordeelt DVVT om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] ,
5.3.
veroordeelt DVVT om te betalen aan [eiser] :
- een bedrag van € 31.342,07 aan achterstallige huur tot en met september 2025, aan contractuele boete en aan buitengerechtelijke incassokosten,
- een bedrag van € 9.169,53 per maand aan huur vanaf 1 oktober 2025 tot het tijdstip van ontbinding, te vermeerderen met de contractuele boete van € 300,00 per maand bij te late betaling vanaf de data van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
- een bedrag van € 9.169,53 per maand aan gebruiksvergoeding vanaf de ontbinding tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
5.4.
veroordeelt DVVT in de proceskosten van € 2.695,85, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als DVVT niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Badal en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.