Uitspraak
1.[eiser 1] ,2. [eiser 2] ,
1.[gedaagde 1] ,
2.
de besloten vennootschap [gedaagde 2] B.V.,
1.De zaak in het kort
2.De procedure
3.De verdere beoordeling
- Wanneer is er beslag gelegd op de woning van [eisers] ?
- Voor welke vordering is er precies beslag gelegd? Welk deel ziet op proceskosten en welk deel ziet op dwangsommen?
- Indien het beslag (deels) ziet op verbeurde dwangsommen op welke overtreding(en) ziet/zien de dwangsommen precies en hoe zijn de dwangsommen berekend?
- Wanneer heeft [eisers] het bedrag van € 5.000,00 (waarvan nu terugbetaling wordt gevorderd) betaald aan [gedaagden] ?
- de deurwaarder op 5 april 2024 beslag heeft gelegd op zijn woning;
- het proces-verbaal van beslaglegging in algemene woorden vermeldt dat [eisers] zich aan het kort geding vonnis van 6 maart 2024 dient te houden; hij in totaal € 15.178,81 heeft betaald waarvan € 9.878,81 aan proceskosten, € 300,00 aan erkende dwangsommen en € 5.000,00 aan dwangsommen op grond van het verbod genoemd in 5.4 van het kort geding vonnis;
- de betaalde dwangsommen van € 5.000,00 zien op de publicatie in het [dagblad] op 12 maart 2024, die als productie 6a opnieuw wordt overgelegd;
- zowel op 23 mei 2024 als op 19 juli 2024 een bedrag van € 2.000,00 is betaald, dat op 2 oktober 2024 een bedrag van € 1.900,00 is betaald en op 23 december 2024 een bedrag van € 9.278,81 is betaald.
- de deurwaarder op 5 april 2024 beslag heeft gelegd op de woning;
- het proces-verbaal van beslaglegging geen bedrag noemt, maar er beslag is gelegd in verband met de proceskosten en aanvankelijk niet vanwege de dwangsommen; [eisers] is volgens [gedaagden] voor die dwangsommen eerst op 28 juni 2024 aangemaand;
- de dwangsommen van € 5.000,00 zien op de publicatie van het krantenartikel van 12 maart 2024 en weigering tot rectificatie van de publicatie waardoor de maximale dwangsommen van € 5.000,00 opeisbaar zijn;
- de door [eisers] gestelde data van betalingen kloppen.
“We zitten nu echt in zak en as.” (…) “We waren in een jubelstemming, maar zijn van de hemel in de hel beland.” (…) ”Ik vertrouwde hem volledig. (…) “Ik wist niet wat ik hoorde. Toen wij het bedrijf overdroegen, was het kerngezond.” (…) “Ja, ik ben naïef en dom geweest”. Of [eiser 1] ook letterlijk heeft gezegd dat [gedaagde 1] zijn bedrijf door list en bedrog heeft verworven, hetgeen [eisers] betwist, volgt niet uit het artikel en zal verder in het midden worden gelaten. De vermelde citaten in het artikel geven (gezamenlijk) namelijk duidelijk aan dat [eiser 1] zich met betrekking tot de verkoop van zijn onderneming bedrogen voelt door [gedaagde 1] . Met de uitlatingen heeft [eiser 1] [gedaagde 1] in een kwaad daglicht gesteld en heeft zich dus diffamerend en benadelend uitgelaten over [gedaagde 1] . [eiser 1] had dat achterwege moeten laten en heeft met zijn uitlatingen in het artikel het in het vonnis van 6 maart 2024 opgelegde verbod zich niet benadelend uit te laten over [gedaagde 1] overtreden. Die overtreding heeft voortgeduurd omdat het krantenartikel online stond en [eiser 1] weigerde over te gaan tot rectificering.