Uitspraak
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de pleitnota van [huurder] ;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De Stichting TBV vordert ontruiming van een woning die zij verhuurt aan de huurder, omdat deze volgens haar zonder recht of titel in de woning verblijft. De huurder betwist de rechtsgeldigheid van de opzegging van de huurovereenkomst en stelt dat zijn geestelijke vermogens ten tijde van de opzegging verstoord waren, waardoor de opzegging vernietigbaar zou zijn.
De kantonrechter stelt vast dat de huurovereenkomst sinds 11 maart 2020 loopt en dat er een incident heeft plaatsgevonden waarbij de huurder medewerkers van een aannemer bedreigde met een mes. Na diverse correspondentie en een gesprek met een tolk heeft de huurder een opzeggingsformulier ondertekend. De huurder stelt dat hij door een trauma en cognitieve klachten niet wilsbekwaam was bij de opzegging.
De rechter weegt de stellingen en het bewijs af en concludeert dat niet is komen vast te staan dat de huurder ten tijde van de opzegging een geestelijke stoornis had die zijn wil ontbrak. De opzegging wordt daarom als rechtsgeldig beschouwd. De huurder verblijft sinds 2 januari 2026 zonder recht of titel in de woning en moet deze ontruimen. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen, het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de huurder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De huurovereenkomst is rechtsgeldig opgezegd en de huurder moet de woning binnen veertien dagen ontruimen.