De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor belaging van haar ex-partner in de periode van 27 oktober 2024 tot en met 14 januari 2025. Verdachte heeft zich herhaaldelijk in de buurt van de woning van het slachtoffer opgehouden, aangebeld en briefjes achtergelaten, ondanks stopgesprekken en politieverzoeken om geen contact te zoeken.
De rechtbank oordeelde dat verdachte met opzet en wederrechtelijk de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer heeft geschonden met het oogmerk hem te dwingen haar onbeantwoorde vragen over de beëindiging van hun relatie te beantwoorden. Er is echter geen bewijs dat verdachte het slachtoffer vrees heeft willen aanjagen of bedreigingen heeft geuit, waardoor zij op dat punt deels is vrijgesproken.
De strafzaak werd inhoudelijk behandeld op 12 maart 2026, waarbij verdachte niet aanwezig was maar wel werd vertegenwoordigd door haar raadsvrouw. De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder haar psychische problematiek, middelenmisbruik en mobiliteitsproblemen, maar vond een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 39 dagen op, met aftrek van het voorarrest. De recidivegrond was eerder opgeheven en werd niet opnieuw aangenomen. De straf weerspiegelt de ernst van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de gevolgen voor het slachtoffer en diens omgeving.