ECLI:NL:RBZWB:2026:2252

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
C/02/445385 / JE RK 26-318
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens onveilige thuissituatie

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot een spoedmachtiging voor uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2010, die onder toezicht staat sinds maart 2024. De minderjarige woont bij de moeder, die het ouderlijk gezag heeft. De uithuisplaatsing was eerder verleend en verlengd, maar de situatie is verslechterd.

De GI verzoekt om een machtiging tot uithuisplaatsing voor vier weken zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden, vanwege ernstige en toenemende fysieke en emotionele escalaties tussen de moeder en de minderjarige. De minderjarige kampt met autisme, PTSS, hechtingsproblematiek en een sociaal-emotionele achterstand, en vertoont zorgwekkend gedrag. De thuissituatie is onveilig en schadelijk, waardoor onmiddellijke uithuisplaatsing noodzakelijk is.

De kinderrechter oordeelt dat wachten op een zitting onaanvaardbaar is vanwege het ernstige gevaar voor de minderjarige. Daarom wordt de spoedmachtiging verleend en uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met aanhouding van het resterende verzoek tot een mondelinge behandeling op een nader te bepalen datum. De minderjarige wordt uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter.

De beschikking is gegeven op 24 februari 2026 door kinderrechter De Beer en schriftelijk vastgelegd op 25 februari 2026. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na dagtekening door belanghebbenden en andere betrokkenen.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor vier weken wegens onveilige thuissituatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445385 / JE RK 26-318
Datum uitspraak: 24 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
mr. M. KALLE,
in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over [minderjarige] ,
advocaat te Middelburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
  • het mondelinge spoedverzoek van de GI op 24 februari 2026;
  • de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 24 februari 2026.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 22 maart 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 22 maart 2024 en tot 22 september 2024 en is het resterende deel van het verzoek aangehouden. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 22 maart 2026.
2.4.
Bij beschikking van 22 maart 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 22 maart 2024 en tot 22 september 2024. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 22 maart 2026.
2.5.
Bij beschikking van 16 januari 2026 is het (zelfstandige) verzoek van de moeder om voorlopig te bepalen dat [minderjarige] dag en nacht bij haar verblijft afgewezen, omdat de GI het verzoek omtrent de machtiging uithuisplaatsing heeft ingetrokken.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. Daarnaast verzoekt de GI om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

4.1.
Uit de (telefonische) informatie van de GI volgt dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] in augustus 2025 is afgesloten, nadat [minderjarige] vanuit de groep van [accommodatie] was weggelopen en naar de moeder is gegaan. Het leek aanvankelijk iets beter te gaan. [hulpverlening] biedt sinds 23 december 2024 hulpverlening in de vorm van IPT in de thuissituatie van de moeder, gelet op het patroon van langdurige emotionele en fysieke onveiligheid binnen de thuissituatie. De onveiligheid voor [minderjarige] is echter de afgelopen periode toegenomen en de hulpverlening vanuit [hulpverlening] lijkt onvoldoende verandering teweeg te kunnen brengen. Er vinden steeds meer en heftigere (fysieke) escalaties plaats tussen de moeder en [minderjarige] zonder herstelperiodes, wat maakt dat de betrokken hulpverlening vooral acuut de-escalerend moet handelen en niet in staat is om te werken aan de doelen. Daarnaast doet de moeder belastende uitspraken, hetgeen zorgt voor frustratie bij [minderjarige] . Hij bonkt dan met zijn hoofd tegen de muur, slaat met deuren en gooit met spullen. Ook doen de moeder en [minderjarige] zorgwekkende uitspraken over geweld en zijn zij niet in staat om hun emoties te reguleren. Verder is gebleken dat [minderjarige] een zeer belast verleden heeft en kampt met autisme, PTSS, een sociaal-emotionele achterstand en hechtingsproblematiek. Dit maakt dat hij weinig draagkracht heeft en kwetsbaar is. Voorts is het gebleken dat [minderjarige] niet meer naar school gaat en geen dagbesteding heeft. Hij stagneert op alle ontwikkelingsgebieden en gaat zelfs achteruit. Een uithuisplaatsing van [minderjarige] is noodzakelijk om voornoemd patroon te doorbreken, [minderjarige] in veiligheid te brengen en hem de ontwikkelkansen te bieden die hij nodig heeft. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is dat [minderjarige] met spoed uit huis wordt geplaatst.
4.2.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] , omdat verdere en ernstigere escalaties binnen de thuissituatie niet voorkomen kunnen worden. Er bestaat daarbij een kans op letsel, welke grote gevolgen kan hebben voor (de toekomst van) [minderjarige] . De thuissituatie van [minderjarige] is dermate schadelijk en onveilig dat niet langer kan worden gewacht met ingrijpen. De kinderrechter zal het spoedverzoek daarom toewijzen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 22 maart 2026. Het verzoek zal voor het overige worden aangehouden tot de mondelinge behandeling van [datum] 2026 om [uur] . De belanghebbenden worden dan in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. [minderjarige] zal per aparte brief worden uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter.
4.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.4.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 februari 2026 en tot 22 maart 2026;
5.2.
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de mondelinge behandeling van
[datum] 2026 om [uur]voor de duur van 60 minuten ten overstaan van mr. L.E. Verschoor-Bergsma, welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg;
5.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die mondelinge behandeling voor de GI, de moeder en de bijzondere curator;
5.5.
bepaalt dat [minderjarige] via een aparte brief voor een gesprek met de kinderrechter zal worden opgeroepen;
5.6.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, en op schrift gesteld op 25 februari 2026 in aanwezigheid van mr. Boomaars als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.