Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2287

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
24/7103 V
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens ontbreken ingebrekestelling kindgebonden budget afgewezen

Opposante heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar van 10 februari 2023 over het kindgebonden budget voor de jaren 2004 tot en met 2015. De rechtbank heeft dit beroep op 10 oktober 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat opposante geen ingebrekestelling had gestuurd die betrekking had op dit bezwaar.

In het verzet betoogt opposante dat zij wel een ingebrekestelling heeft verzonden, maar kan zij hiervan geen bewijs overleggen. Verweerder erkent een ingebrekestelling te hebben ontvangen op 28 augustus 2024, maar stelt dat deze betrekking had op een andere kwestie, namelijk de kinderopvangtoeslag.

De rechtbank oordeelt dat de bewijslast bij opposante ligt om aannemelijk te maken dat zij een ingebrekestelling heeft gestuurd die betrekking heeft op het bezwaar over het kindgebonden budget. Omdat zij geen bewijs heeft geleverd en de ontvangen ingebrekestelling door verweerder op een andere kwestie ziet, wordt het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak van 10 oktober 2025 blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7103 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 op het verzet van

[opposante], uit [plaats] , opposante [1] ,
(gemachtigde: mr. J.W. van de Wege),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 oktober 2025 in het geding tussen
opposante
en

Dienst Toeslagen, verweerder

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 10 oktober 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposante niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 10 oktober 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de grond van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposante
4. Het beroep van opposante ging over het niet op tijd beslissen op haar bezwaar van 10 februari 2023 tegen de vaststellingen van het kindgebonden budget over de jaren 2004 tot en met 2015.
De uitspraak van 10 oktober 2025
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposante geen ingebrekestelling aan verweerder heeft gestuurd die ziet op (het bezwaar tegen de vaststelling van) het kindgebonden budget.

Heeft opposante aannemelijk gemaakt dat zij verweerder met betrekking tot de onderhavige kwestie in gebreke heeft gesteld?

6. Opposante voert aan dat zij wel een ingebrekestelling met betrekking tot het niet op tijd beslissen op haar bezwaar tegen de vaststelling van het kindgebonden budget heeft verzonden, maar dat zij daar geen afschrift van kan overleggen. Verweerder stelt op 28 augustus 2024 wel een ingebrekestelling te hebben ontvangen, maar dat deze ziet op een andere kwestie (het niet op tijd beslissen op het verzoek om herbeoordeling van opposante haar situatie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag). Opposante vermoedt dat verweerder de ingebrekestelling ten onrechte heeft opgevat als een ingebrekestelling met betrekking tot de kinderopvangtoeslag, terwijl het in werkelijkheid betrekking had op het kindgebonden budget. Zij verzoekt de rechtbank om verweerder uit te nodigen alsnog de ingediende ingebrekestelling te overleggen en zo nodig verweerder opdracht te geven daartoe.
De rechtbank heeft verweerder op 29 december 2025 en 4 maart 2026 verzocht om te reageren op het verzet. Verweerder heeft tot op heden niet gereageerd.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de bewijslast op opposante rust om aannemelijk te maken dat zij heeft voldaan aan de vereisten om het beroep tegen het niet op tijd nemen van een besluit op haar bezwaar in te stellen. Een van de vereisten voor het instellen van een beroep tegen het niet op tijd nemen van een besluit is dat opposante schriftelijk aan verweerder heeft medegedeeld dat zij in gebreke is. [3] Aangezien opposante geen afschrift van de ingebrekestelling, noch een verzendbewijs of een ontvangstbevestiging heeft overgelegd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij aan de vereisten voldoet om beroep in te kunnen stellen tegen het niet op tijd nemen van een besluit op haar bezwaar. Weliswaar is duidelijk dat verweerder op 28 augustus 2024 een ingebrekestelling heeft ontvangen, maar uit niets blijkt dat deze ingebrekestelling ziet op het bezwaar van 10 februari 2023 tegen de vaststellingen van het kindgebonden budget over de jaren 2004 tot en met 2015. In de dwangsombeschikking van 24 oktober 2024 krijgt opposante namelijk – naar aanleiding van een ingebrekestelling van 28 augustus 2024 – de maximale bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- toegekend omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek (aanvraag) om een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Het verzet van opposante slaagt dan ook niet; zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een ingebrekestelling met betrekking tot het kindgebonden budget aan verweerder heeft toegezonden.

Conclusie en gevolgen

7. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 10 oktober 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 27 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Awb.