ECLI:NL:RBZWB:2026:230

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/2024 t/m 24/2028
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroepen en proceskostenveroordeling in belastingzaak

Belanghebbende B.V. heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 19 september 2025, waarin de rechtbank zijn beroepen niet-ontvankelijk verklaarde wegens niet-betaling van griffierecht. De rechtbank beoordeelt of deze niet-ontvankelijkverklaring terecht is en behandelt tevens het verzoek om immateriële schadevergoeding en de proceskostenveroordeling.

De gemachtigde van belanghebbende betwist de ontvangst van een aangetekende herinneringsnota van 4 april 2024, waarvan volgens PostNL op 9 april 2024 voor ontvangst is getekend. De rechtbank acht het aannemelijk dat de brief is ontvangen, mede omdat alle correspondentie naar een door gemachtigde opgegeven postbusadres bij een Primera-winkel wordt gestuurd, waar namens hem wordt getekend. De ontkenning van de handtekening is onvoldoende om de ontvangst te betwisten.

De rechtbank overweegt dat de beroepsprocedure inclusief verzet meer dan anderhalf jaar heeft geduurd, maar dat de overschrijding van de redelijke termijn slechts voor een half jaar aan de rechtbank kan worden toegerekend. Belanghebbende heeft reeds een vergoeding van € 500,- per halfjaar ontvangen, zodat een aanvullend immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Ten aanzien van de proceskostenveroordeling in beroep oordeelt de rechtbank dat sprake is van samenhangende zaken en past zij een factor 1,5 toe, waardoor de proceskostenvergoeding wordt aangepast. Het verzet is gegrond voor zover het de proceskostenveroordeling betreft. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 35,03 aan proceskosten voor zowel de beroeps- als de verzetprocedure.

Uitkomst: Verzet gegrond voor proceskostenveroordeling, immateriële schadevergoeding afgewezen

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/2024 tot en met 24/2028

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 op het verzet van

[belanghebbende] B.V., belanghebbende

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2025 waarin de rechtbank de beroepen van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft gemachtigde deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 19 september 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
Gemachtigde voert in verzet aan dat de handtekening op de track-and-trace informatie van PostNL van de herinneringsnota van 4 april 2024 niet zijn handtekening is. Gemachtigde heeft geen herinneringsnota ontvangen.
2.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Algemene betwisting track-and-trace gegevens PostNL
2.3.
Gemachtigde ontkent (in meerdere procedures) dat hij aangetekende zendingen heeft ontvangen en dat de geplaatste handtekening op de track-and-trace informatie van PostNL de zijne is en verwijst naar de door hem ingediende processtukken.
2.4.
Alle correspondentie aan gemachtigde wordt verzonden naar het door hem opgegeven [postbusadres]. Deze postbus bevindt zich op een PostNL-punt in een winkel van Primera aan het [adres] in [plaats]. Gemachtigde heeft in 2023 in meerdere verzetzaken met dezelfde argumenten de ontvangst van in die zaken door de rechtbank aangetekend verzonden stukken betwist. Na de zitting in die zaken heeft de heffingsambtenaar in één van die zaken gemeld dat hem bij navraag was gebleken dat de eigenaar en medewerkers van de Primera toegang hebben tot (een afschrift van) het identiteitsbewijs van gemachtigde en dat de afspraak geldt dat zij namens gemachtigde voor ontvangst van de aangetekende brieven tekenen. Deze werkwijze zou volgens die melding zijn ontstaan omdat gemachtigde veel aangetekende post ontvangt en het zowel de eigenaar van de Primera als gemachtigde het op deze manier veel tijd bespaart.
De (betwisting van de) ontvangst van aangetekende brieven in deze zaak
2.5.
De brief van 4 april 2024 is aangetekend verzonden en volgens de track-and-trace informatie van PostNL is op 9 april 2024 voor ontvangst getekend. De rechtbank ziet geen reden om te betwijfelen of deze ook is ontvangen. Het is immers in de eerste plaats gemachtigde zelf die voor alle correspondentie een postbusnummer opgeeft. De rechtbank acht het onaannemelijk dat gemachtigde de brief van 4 april 2024 niet heeft ontvangen. De ontkenning van gemachtigde dat de handtekening op het afhaalbericht de zijne is, is in dit geval een onvoldoende betwisting van de ontvangst. Er zijn verder, behoudens de ontkenning van de gemachtigde, geen aanwijzingen dat hij de brief niet zou hebben ontvangen. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank voldoende vaststaan dat gemachtigde de brief heeft ontvangen. [2] Belanghebbende was dan op de hoogte van de verplichting om het griffierecht te betalen en heeft geen goede reden gegeven waarom dit niet tijdig is gebeurd. Het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 19 september 2025 is dan ook juist.
Immateriële schade en proceskostenvergoeding
2.6.
Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat indien het beroep niet-ontvankelijk is wegens niet betalen van griffierecht, er als uitgangspunt geen recht bestaat op immateriëleschadevergoeding, tenzij de beroepsprocedure meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De vergoeding zal in dat geval alleen toegekend kunnen worden voor immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn voor zover toe te rekenen aan de procedure voor de rechtbank. [3] Indien de rechtbank na vereenvoudigde behandeling uitspraak heeft gedaan en daartegen verzet is gedaan eindigt deze termijn met de uitspraak waarbij het verzet ongegrond is verklaard.
2.7.
De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 7 februari 2024. De beroepsprocedure, inclusief de verzetprocedure, heeft meer dan anderhalf jaar geduurd. In dat geval moet de rechtbank een beslissing nemen op het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de redelijke termijn is overschreden indien meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de heffingsambtenaar. [4]
2.8.
Uit de uitspraak op bezwaar volgt dat het (pro forma) bezwaarschrift op 26 mei 2023 is ontvangen. De heffingsambtenaar heeft op 29 januari 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar met afgerond acht maanden is overschreden. Deze overschrijding is voor een half jaar toe te rekenen aan de rechtbank. Belanghebbende heeft in de uitspraak 19 september 2025 een vergoeding gekregen van € 500,- per halfjaar termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft daarom niet nogmaals recht op een (aanvullende) immateriëleschadevergoeding.
Proceskostenvergoeding
2.9.
Gemachtigde voert in verzet aan dat de proceskostenvergoeding in de uitspraak van 19 september 2025 niet juist is berekend. Gemachtigde stelt zich op het standpunt dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht [5] en daarom factor 1,5 dient te worden toegepast, omdat de beroepen zien op meerdere objecten. Deze grond slaagt. De rechtbank stelt de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 35,03. [6]

Conclusie en gevolgen

3. Het verzet is gegrond voor zover het ziet op de proceskostenveroordeling in beroep. Om die reden ziet de rechtbank ook aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor de verzetprocedure. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 35,03. [7]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet voor zover deze ziet op de proceskostenveroordeling in beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van 19 september 2025 voor zover deze ziet op de beslissing omtrent de proceskosten;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor zover het ziet op de beroepsprocedure tot een bedrag van € 35,03;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor zover het ziet op de verzetprocedure tot een bedrag van € 35,03.
  • wijst het verzoek om immateriëleschadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 21 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Vergelijk Hof Arnhem-Leeuwarden, 21 november 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9937.
3.Hoge Raad 2 december 20 16, ECLI:NL:HR:2016:2712.
4.Hoge Raad 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712.
5.Onderdeel C2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.
6.1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-, een wegingsfactor 0,25 en een factor 0,10 maal factor 1,5.
7.0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-, een wegingsfactor 0,25 en een factor 0,10 maal factor 1,5.