ECLI:NL:RBZWB:2026:2312

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
29 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444731
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265e BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gedeeltelijke gezagsuitoefening aan gecertificeerde instelling voor schoolinschrijving minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om gedeeltelijk gezag te verkrijgen over een minderjarige voor het doel van aanmelding bij een onderwijsinstelling. De minderjarige verblijft in een behandelgroep en is sinds april 2025 gefaseerd geplaatst in een gezinshuis. De ouders weigeren echter toestemming te geven voor de inschrijving bij een school in de buurt van het gezinshuis.

De kinderrechter overweegt dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat de GI het gezag krijgt voor de schoolinschrijving, zodat de minderjarige een passende onderwijsplek kan krijgen en verder kan wennen aan het gezinshuis. De kinderrechter erkent de zorgen van de ouders over afstand en mogelijke wisselingen, maar benadrukt dat het toekomstperspectief nog niet vaststaat en dat het verblijf in het gezinshuis in [plaats 2] goed verloopt.

De kinderrechter bepaalt dat het gezag voor dit doel wordt toegekend aan de GI voor de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing, tot 12 januari 2027. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. Het verzoek om een aparte bevel tot registratie wordt afgewezen.

Uitkomst: De kinderrechter kent de GI gedeeltelijk gezag toe voor de aanmelding van de minderjarige bij een onderwijsinstelling tot 12 januari 2027.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444731 / JE RK 26-213
Datum uitspraak: 26 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een gedeeltelijke gezagsuitoefening door de gecertificeerde instelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 3 februari 2026;
  • een schriftelijk standpunt van de vader, ingestuurd op 26 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder (middels een videoverbinding);
- een vertegenwoordiger van de GI.
Opgeroepen en niet verschenen zijn:
- de vader;
- de advocaat van de moeder. Deze blijkt zich echter met ingang van 26 februari 2026 te hebben onttrokken.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] uitgenodigd voor een kindgesprek op 25 februari 2026, maar hij is hierop niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft op een behandelgroep van [accommodatie] in [plaats 1] . Bij beschikking van 9 januari 2026 met nummer C/02/442752 / JE RK 25-2181 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en gezinsgerichte voorziening verlengd voor de duur van een jaar, beide met ingang van 12 januari 2026 tot 12 januari 2027. In die beschikking heeft de kinderrechter ook overwogen dat nader onderzocht moet worden wat voor [minderjarige] het meest passende opvoedperspectief is. De kinderrechter heeft de verwachting uitgesproken dat de GI binnen negen maanden het perspectiefbesluit zal vaststellen en kenbaar zal maken aan de ouders.
2.3.
De ouders weigeren om toestemming te geven voor de inschrijving van [minderjarige] bij een onderwijsinstelling in de omgeving van een gezinshuis in [plaats 2] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de kinderrechter te bepalen dat het gezag over [minderjarige] gedeeltelijk wordt toegekend aan de GI, namelijk voor de aanmelding van [minderjarige] bij een onderwijsinstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Verder verzoekt de GI te bevelen dat de beslissing zal worden aangetekend in het gezagsregister.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat het van belang is dat zijn ouders commitment tonen voor zijn vervolgwoonplek. [minderjarige] gaat sinds april 2025 gefaseerd en opbouwend naar een gezinshuis in [plaats 2] . [minderjarige] heeft het hier naar zijn zin en heeft aangegeven hier te willen wonen als het niet meer bij de ouders kan. Hij wil wel graag contact houden met zijn ouders en bezoekmomenten hebben. Het lukt de ouders echter niet om toestemming te geven voor de verhuizing van [minderjarige] naar het gezinshuis. De ouders weigeren om documenten voor de inschrijving van [minderjarige] bij een nieuwe onderwijsinstelling te ondertekenen.
4.2.
Bij de mondelinge behandeling is hier door de GI aan toegevoegd dat het niet mogelijk is om [minderjarige] op zijn huidige school te laten als hij bij [accommodatie] weggaat; de school en [accommodatie] hangen immers samen. [minderjarige] verblijft al vanaf 2021 op een groep bij [accommodatie] , terwijl het juist goed voor hem is om te oefenen in gezinssituaties. Het gezinshuis in [plaats 2] bevalt [minderjarige] goed. Ook bij het gezinshuis merken ze dat zijn verblijf daar [minderjarige] goed doet. Hij heeft al stappen heeft gezet en blijkt leerbaar.
De onduidelijkheid over waar hij heen gaat, maakt echter dat [minderjarige] hierover onzeker wordt en stilstaat in zijn ontwikkeling. Het gezinshuis heeft de frequentie van [minderjarige] bezoeken naar beneden bijgesteld omdat onduidelijk is hoe het verdere verloop zal zijn. [minderjarige] is hierdoor in verwarring. De GI wijst erop dat de gezinshuizen schaars zijn en dat een mogelijke andere locatie ook nog verder verwijderd dan [plaats 2] kan liggen. Bovendien is [minderjarige] al geruime tijd aan het wennen aan dit gezinshuis in [plaats 2] en dit gaat goed. Bij het zoeken naar een nieuw gezinshuis zou dit proces opnieuw moeten beginnen.
4.3.
Door de moeder is aangevoerd dat er vooruitgelopen wordt op zaken, omdat het perspectief van [minderjarige] nog niet is vastgesteld. Zij staat wel achter een plaatsing van [minderjarige] bij een gezinshuis, maar zij wil voorkomen dat [minderjarige] meerdere malen moet verhuizen of wisselen van school. Ook vindt zij de afstand tussen [woonplaats] en het gezinshuis in [plaats 2] te groot. [minderjarige] krijgt nu bij [accommodatie] in [plaats 1] elke twee weken bezoek van zijn oma en ook het bezoek van de vader en moeder wordt bemoeilijkt als hij naar het gezinshuis in [plaats 3] gaat. De moeder zou liever zien dat [minderjarige] bij een gezinshuis in [woonplaats] of in de directe omgeving van [woonplaats] wordt geplaatst.
4.4.
In de schriftelijke reactie van de vader heeft hij aangevoerd niet tegen hulpverlening of een passende plaatsing te zijn, maar dat hij zorgen heeft over de plaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis op deze afstand. Ook de vader wil niet dat er meermalen gewisseld wordt van schoollocatie. Een overplaatsing betekent een ingrijpende verandering en er moet worden voorkomen dat [minderjarige] binnen korte tijd weer overgeplaatst moet worden. De onderzoeksperiode van negen maanden voor een standpunt over het perspectief van [minderjarige] loopt immers nog en daarbij moet ook worden gekeken naar een terugkeer naar huis. Ook geeft de vader aan dat een bezoekregeling naar het gezinshuis in [plaats 2] voor hem praktische en financiële gevolgen zou hebben.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:265e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter bij en na de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing op verzoek bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de gecertificeerde instelling die het toezicht uitoefent, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter kan dit onder andere doen met betrekking tot de aanmelding van het kind bij een onderwijsinstelling. De duur van de gedeeltelijke uitoefening van het gezag is niet langer dan die van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat het voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is dat de GI wordt belast met het gezag over [minderjarige] voor zover dit betrekking heeft op de aanmelding bij een onderwijsinstelling. Er is bij beschikking van 9 januari 2026 al een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in onder meer een gezinshuis gegeven, maar hier kan geen verdere uitvoering aan worden gegeven omdat de ouders geen toestemming geven voor de aanmelding van [minderjarige] bij een school in de buurt van het gezinshuis. Het is van groot belang voor [minderjarige] dat hij een vervolgstap kan maken en verder kan wennen aan het leven in een gezinssysteem. Daar past ook onderwijs bij wat hij kan volgen vanuit het gezinshuis in [plaats 2] . Voor de ontwikkeling van [minderjarige] is het namelijk ook noodzakelijk dat hij naar school gaat.
5.3.
Zoals de ouders aanvoeren, heeft de kinderrechter in deze rechtbank bij beschikking van 9 januari 2026 overwogen dat er een perspectiefonderzoek moet gaan plaatsvinden in de komende negen maanden. Plaatsing van [minderjarige] in het gezinshuis in [plaats 2] betekent echter niet dat hij in de toekomst niet meer bij de moeder of vader kan wonen. Het toekomstperspectief ligt immers nog niet vast. Het verblijf van [minderjarige] op een behandelgroep bij [accommodatie] duurt al ruim vier jaar en daarmee veel te lang. Er zijn inmiddels goede stappen gezet richting het gezinshuis in [plaats 2] . [minderjarige] gaat hier al sinds april 2025 gefaseerd naartoe, is hier gewend en heeft het ook naar zijn zin. Het gezinshuis heeft een ontwikkeling bemerkt en gezien dat [minderjarige] leerbaar is. Het zoeken naar een nieuw gezinshuis zou verwarrend zijn en zou het proces verder vertragen. Bovendien is het dan nog maar de vraag of een ander gezinshuis meer in de nabijheid van [woonplaats] zou zijn. De kinderrechter begrijpt van de GI dat de gezinsouders mogelijk bereid zijn om het contact met de familieleden van [minderjarige] te vergemakkelijken. Dit zou de afstand voor de vader en moeder en andere familieleden mogelijk enigszins kunnen compenseren.
5.4.
De kinderrechter acht het, zoals al overwogen, in het belang van de uitvoering van de ondertoezichtstelling noodzakelijk dat de GI gedeeltelijk wordt belast met het gezag over [minderjarige] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling. De aanvraag van een toelaatbaarheidverklaring maakt daar onderdeel van uit. De kinderrechter zal hierbij bepalen dat de duur van deze gedeeltelijke gezagsoverheveling loopt tot de duur van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing, te weten tot 12 januari 2027.
5.5.
De kinderrechter zal tevens verklaren dat de beslissing uitvoerbaar bij voorraad is, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. Dit kinderrechter vindt dit van belang voor [minderjarige] .
5.6.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1] Een afzonderlijke beslissing van de kinderrechter is daarvoor niet nodig. De kinderrechter zal het verzoek van de GI om te bevelen dat deze gedeeltelijke gezagsuitoefening zal worden aangetekend in het gezagsregister daarom afwijzen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
bepaalt dat het gezag over [minderjarige] voor zover dit betrekking heeft op de aanmelding bij een onderwijsinstelling wordt uitgeoefend door William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering en wel voor de duur van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing (tot 12 januari 2027);
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026 door mr. Vos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 6 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.