ECLI:NL:RBZWB:2026:2313

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
29 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444078 / JE RK 26-80
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens kwetsbare ouderlijke situatie

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 26 februari 2026 besloten de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen van 19 maart 2026 tot 19 maart 2027. De ondertoezichtstelling was eerder ingesteld op 19 maart 2024 en reeds verlengd op 18 maart 2025.

Tijdens de zitting met gesloten deuren werd het kind gehoord en spraken de ouders en de gecertificeerde instelling (GI) over de voortgang. Het kind ervaart spanningsklachten als gevolg van de moeizame communicatie tussen de ouders en zit daardoor klem. Het kind heeft gesprekken met een buddy en een jeugdbeschermer, wat positief verloopt. De ouders werken mee aan begeleidingstrajecten, maar de samenwerking blijft fragiel.

De GI benadrukte dat een overdracht naar het vrijwillig kader nog te risicovol is vanwege de kwetsbare situatie. De kinderrechter concludeerde dat de ontwikkeling van het kind nog steeds wordt bedreigd en dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft om het kind een onbelaste opvoedsituatie te bieden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd voor de duur van een jaar wegens aanhoudende kwetsbaarheid in de ouderlijke situatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444078 / JE RK 26-80
Datum uitspraak: 26 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van de kinderrechter van 19 maart 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 19 maart 2024 en tot 19 maart 2025.
2.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 18 maart 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 19 maart 2025 en tot 19 maart 2026.
2.3.
[minderjarige] woont zowel bij de moeder als bij de vader.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] heeft tijdens het kindgesprek verteld dat hij het fijn vindt om met de jeugdbeschermer te praten. Hij heeft nu ook gesprekken met een buddy van Open Door. Dat is fijn, maar soms vinden de gesprekken precies plaats op het moment dat [minderjarige] met zijn vrienden kan gaan voetballen. Liever zou hij dus éénmaal per 14 dagen met zijn buddy praten en dan tot aan de zomervakantie. De jeugdbeschermer zou daarnaast nog betrokken moeten blijven. De ouders kunnen het nog niet goed samen regelen. Hij merkt dat soms aan de reactie van zijn moeder. Zijn vader kan het wel al iets beter. Als [minderjarige] naar de middelbare school gaat, dan zou hij graag willen dat hij de ene week bij de moeder kan verblijven en de andere week bij de vader met een wisselmoment op vrijdagmiddag na school. Dat zou rustiger zijn en ook makkelijker in verband met het ruilen van fiets. Zijn spanningsklachten zijn weg. Er is afgelopen vrijdag wel een incident geweest, omdat het bij zijn moeder niet goed ging. Hij heeft toen de jeugdbeschermer gebeld en is naar zijn vader gegaan. Dit is inmiddels uitgepraat.
4.2.
De GI heeft tijdens de zitting verklaard dat er de komende periode nog het nodige te doen is, maar er zijn al wel stappen gezet in vergelijking met de beginsituatie. De ouders lopen nog vast in de communicatie, ondanks dat in een eerder stadium afspraken zijn gemaakt. De ouders werken mee aan de begeleiding vanuit een expert ouderrelaties. Overdracht naar het vrijwillig kader zal nu nog te veel risico’s geven, omdat dan nog niet zeker is of de medewerking blijft. De buddy blijft nog minimaal tot aan de zomervakantie betrokken. Het heeft de voorkeur van de GI dat de buddy langer betrokken blijft. [minderjarige] heeft na het gesprek met de kinderrechter gebeld en verteld dat hij eigenlijk liever doordeweeks bij de vader zou blijven en in het weekend bij de moeder. De GI wil hierin wel meekijken, maar er ligt een ouderschapsplan waarin al afspraken zijn gemaakt. [minderjarige] wil de ouders niet teleurstellen en vindt het daarom moeilijk om dit te vertellen. Hij zit klem tussen zijn ouders. Het is voor de komende periode verder van belang dat het reeds ingezette traject van [hulpverlening] (Goed Genoeg Ouderschap) en ook de SCHIP-therapie blijft doorlopen.
4.3.
De moeder heeft tijdens de zitting verklaard dat het incident van afgelopen vrijdag zag op een ingevorderde fatbike, die de moeder nog niet had afbetaald aan een vriend en die vervolgens door hem werd ingevorderd. [minderjarige] hoopte dat de jeugdbeschermer hem kon helpen. Het gaat thuis goed. Het probleem tussen haar en de vader blijft aanwezig. Zij vertrouwen elkaar niet meer en dat vertrouwen kan niet meer worden hersteld. De moeder ervaart een matige klik met de hulpverlening. De individuele hulpverlening bevindt zich nog in het beginproces, nadat haar eerdere hulpverlener in de ziektewet belandde. De moeder begrijpt het verzoek, maar zou liever zien dat de ondertoezichtstelling niet meer verlengd hoeft te worden.
4.4.
De vader heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat het verhaal rondom de fatbike, [minderjarige] erg dwars zit. Het laatste half jaar wordt [minderjarige] wat meer open. Hij kan soms opzien tegen een afspraak met zijn buddy, maar als hij dan eenmaal is geweest dan is het ook weer goed. SCHIP-therapie is moeilijk van de grond gekomen. Het is afwachten hoe het uiteindelijk zal verlopen. De vader realiseert zich dat als de ondertoezichtstelling nu stopt, iedereen terug zal vallen en dat is niet in het belang van [minderjarige] .

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De ouders hebben de afgelopen periode gewerkt aan het verbeteren van de onderlinge communicatie en hebben afspraken gemaakt via bemiddeling, hiervoor is ook een expert ouderrelaties ingezet. De reeds ingezette hulpverlening heeft zicht gegeven op de sociaal-emotionele en opvoedkundige situatie van de ouders. Op dit moment loopt voor de ouders ‘Goed Genoeg Ouderschap’ via [hulpverlening] , alsmede de SCHIP-therapie. Ondanks de inspanningen vanuit de hulpverlening is nog steeds sprake van een gebrek aan effectieve samenwerking en communicatie tussen de ouders. Het contact is nog fragiel. Als gevolg van de situatie tussen de ouders zit [minderjarige] nog altijd klem tussen hen, hetgeen ook recentelijk nog is gebleken omdat [minderjarige] niet goed durfde te vertellen bij welke ouder hij welke dagen wil doorbrengen op het moment dat hij naar de middelbare school gaat. Hij wil niemand teleurstellen. [minderjarige] heeft inmiddels gesprekken met een buddy en dat verloopt goed. Hij lijkt zich steeds wat meer open te stellen.
5.2.
Gezien de hiervoor beschreven zorgen concludeert de kinderrechter dat [minderjarige] nog altijd in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Hoewel er stappen worden gezet, zijn deze ontwikkelingen nog onvoldoende om een overdracht naar het vrijwillig kader te kunnen realiseren. Hiervoor beoordeelt de kinderrechter de situatie tussen de ouders als nog te kwetsbaar. De ondertoezichtstelling is derhalve nog noodzakelijk om de doelen vanuit de ondertoezichtstelling te kunnen realiseren en daarmee voor [minderjarige] een situatie te creëren waarin hij onbelast verder kan opgroeien. De kinderrechter zal het verzoek daarom toewijzen voor de duur van een jaar.
5.3.
De kinderrechter spreekt haar hoop uit dat de ouders de ingezette hulpverlening benutten en zich inspannen om voor [minderjarige] te komen tot een situatie waarin hij voelt dat hij zich weer vrij en onbelast kan bewegen tussen de ouders. De uitkomsten van het traject ‘Goed Genoeg Ouderschap’ en de SCHIP-therapie zullen mogelijk ook meer zicht geven in de stappen die daarna moeten worden gezet voor zowel [minderjarige] als de ouders. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij de ingezette hulpverlening goed opvolgt, indien nodig bijstuurt en vervolgens passende vervolgstappen zet. Daarnaast is het van belang om zicht te houden op het verloop van de gesprekken die [minderjarige] nu heeft met zijn buddy van Open Door en daarmee ook of deze gesprekken voor [minderjarige] voldoende zijn om zich te kunnen uiten en spanningen kwijt te raken. Ook zal de wens van [minderjarige] ten aanzien van zijn verblijf bij ouders serieus moeten worden genomen en goed dienen te worden bekeken.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 19 maart 2026 en tot 19 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op 10 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.