ECLI:NL:RBZWB:2026:2324

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
C/02/441766 / FA RK 25-5797
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Vriends
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:295 BWArt. 1:299 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming gecertificeerde instelling tot voogd over minderjarige na overlijden ouders

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 27 februari 2026 een beschikking gegeven in een voogdijzaak betreffende een minderjarige wiens ouders op 21 augustus 2025 zijn overleden. De minderjarige verbleef sinds januari 2025 vrijwillig bij de grootouders van vaderszijde. De gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant (GI) was reeds belast met de voorlopige voogdij.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een onderzoek verricht en geadviseerd de GI te belasten met de definitieve voogdij, mede vanwege de expertise van de GI en de noodzaak om praktische zaken zoals inschrijving bij kinderopvang en afwikkeling van de nalatenschap te regelen. De grootouders van vaderszijde ondersteunen dit verzoek en verzorgen de dagelijkse opvoeding.

De rechtbank oordeelt dat, gezien het ontbreken van een voogd benoemd door de ouders en het belang van de minderjarige, het toewijzen van de voogdij aan de GI het meest passend is. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank benoemt Stichting Jeugdbescherming Brabant tot voogd over de minderjarige en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/441766 / FA RK 25-5797
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Beschikking van de rechtbank over voogdij
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI.
De rechtbank merkt als informant aan:
[grootouders vaderszijde (vz)],
hierna te noemen de grootouders vaderszijde (vz),
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad van 6 november 2025, ontvangen op 10 november 2025;
- het bericht van de Raad van 20 november 2025 met bijlagen.
1.2.
De zaak is met gesloten deuren behandeld op de zitting van 13 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- de grootouders vz.
2.
De feiten
2.1.
[minderjarige] is geboren uit de relatie van [de moeder] (hierna te noemen de moeder) en [de vader] (hierna te noemen de vader).
2.2.
De vader heeft [minderjarige] erkend.
2.3.
[minderjarige] verblijft sinds 3 januari 2025 op vrijwillige basis bij de grootouders vz.
2.4.
Beide ouders van [minderjarige] zijn op 21 augustus 2025 overleden aangetroffen.
2.5.
Met de beschikking van 1 september 2025, opgevolgd door de beschikking van
11 september 2025, is de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] . Ook is met de beschikking van 11 september 2025 beslist dat de maatregel van rechtswege eindigt na drie maanden, te weten op 1 december 2025, tenzij voor het einde van die termijn om een voorziening in het gezag over [minderjarige] is verzocht. De voorlopige voogdij loopt dan door totdat op dat verzoek is beslist.
2.6.
Naar aanleiding van het overlijden van de ouders heeft de Raad een onderzoek verricht om de rechtbank te kunnen adviseren over hoe er in het gezag/de voogdij over [minderjarige] moet worden voorzien. De Raad heeft zijn bevindingen neergelegd in het rapport van 19 november 2025. Op 6 november 2025, ontvangen op 10 november 2025, heeft de Raad al een (pro forma) verzoek ingediend dat ziet op de voorziening in het gezag/de voogdij over [minderjarige] .
2.7.
De GI heeft zich met de brief van 7 november 2025 bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de GI te belasten met de voogdij over [minderjarige] .

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft naar voren gebracht dat het in het belang van [minderjarige] is om de GI met de voogdij over haar te belasten. De GI kan de ontwikkeling van [minderjarige] na de heftige gebeurtenis van het overlijden van haar beide ouders monitoren en adequaat ingrijpen met hulpverlening als dit nodig is. Ook is nog niet bekend waar [minderjarige] gaat opgroeien. Hiernaar vindt op dit moment nog onderzoek plaats en moet, na afronding van het onderzoek, nog een definitief besluit worden genomen. Daarnaast zijn er veel praktische zaken die geregeld moeten worden, waaronder de inschrijving van [minderjarige] bij de kinderopvang, het openen van een bankrekening en het afwikkelen van de nalatenschap. De GI heeft de expertise die hiervoor nodig is en de grootouders vz vinden het prettig dat zij hierin ontlast worden, zodat zij zich kunnen richten op de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Daarnaast is het belangrijk dat een neutraal persoon de voogdij uitoefent nu er zeer pril familierelaties zijn hersteld, zoals het contact tussen de grootouders vz en [minderjarige] met de halfbroer van [minderjarige] en zijn moeder, de oom vz van [minderjarige] en de grootouders moederszijde (mz) van [minderjarige] . Belangrijk is dat dit goed gemonitord wordt en waar nodig afspraken over worden gemaakt om te waarborgen dat deze familieleden, die naast de grootouders vz ook voor [minderjarige] belangrijk zijn, in haar leven blijven.
4.2.
De GI heeft naar voren gebracht dat zij achter het verzoek van de Raad staat. Beide ouders zijn overleden, wat een ieder zeer heeft geraakt. Al voor het overlijden van de ouders waren de grootouders vz belast met de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] . [minderjarige] ontwikkelt zich bij hen goed. De grootouders vz doen zeer hun best voor [minderjarige] , ondanks de fysieke beperkingen waarmee zij kampen. Er vindt op dit moment een netwerkscreening bij de grootouders vz plaats. Daarover bestaan bij de grootouders vz begrijpelijkerwijs spanningen. Zij wensen dat [minderjarige] bij hen blijft wonen en dat zij haar kunnen groot brengen. De verwachting is dat het screeningsonderzoek van de opvoedsituatie van de grootouders vz in maart/april 2026 afgerond zal zijn. Indien de grootouders vz de screening positief doorlopen, worden zij formeel als pleeggezin beschouwd en krijgen zij naast begeleiding ook een financiële compensatie. Het netwerk ondersteunt de pleegouders vz in de zorg en opvoeding van [minderjarige] . De GI ervaart een fijne en goede samenwerkingsrelatie met de grootouders vz. De GI is bereid en in staat om de rol als voogd op zich te nemen.
4.3.
De grootouders vz hebben aangegeven het verzoek van de Raad begrijpelijk te vinden en daarmee in te kunnen stemmen. Zij ervaren een goede samenwerking met de GI, en delen de visie van de GI. De grootouders vz houden heel veel van [minderjarige] en zijn trots op haar hoe zij zich ontwikkelt. Ze zijn veel bezig met haar en genieten van haar aanwezigheid. De grootouders vinden het heel belangrijk dat [minderjarige] in contact staat met haar familie aan beide kanten. Zij faciliteren omgangsmomenten tussen [minderjarige] en haar familie.

5.De beoordeling

5.1.
Uit artikel 1:295 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechtbank een voogd benoemt over een minderjarige, als die niet onder ouderlijk gezag staat en in de voogdij over de minderjarige niet op wettige wijze is voorzien. Op grond van artikel 1:299 van Pro het BW kan de rechtbank een voogd ambtshalve en op verzoek benoemen. De te treffen voorziening moet het meest in het belang van de minderjarige worden geacht.
5.2.
Als gevolg van het overlijden van beide ouders wordt niet voorzien in het gezag over [minderjarige] . Uit het onderzoek van de Raad is gebleken dat de ouders niet in het gezagsregister hebben laten opnemen wie na hun overlijden als voogd over [minderjarige] dient te worden benoemd. Evenmin hebben de ouders bij testament of notariële akte bepaald wie na hun dood voortaan als voogd het gezag over [minderjarige] zal uitoefenen. De rechtbank zal daarom moeten beslissen wie met de definitieve voogdij over [minderjarige] moet worden belast.
5.3.
Op grond van de voorliggende stukken en dat wat tijdens de zitting naar voren is gebracht, is de rechtbank van oordeel dat het op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] is als de GI met de voogdij over haar wordt belast. De rechtbank volgt hierbij het door de Raad gegeven advies. De GI, die de voorlopige voogdij al uitoefent, is bekend met de situatie van [minderjarige] . De GI kan als professionele organisatie de beste keuzes maken voor [minderjarige] , en daarin de belangen van [minderjarige] voorop stellen en behartigen, ook met betrekking tot de afwikkeling van de nalatenschap van haar ouders. De GI is bereid om de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden en de grootouders vz, die belast zijn met de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] , staan achter het verzoek van de Raad om de GI met de voogdij over [minderjarige] te belasten.
5.4.
Gelet op het voorgaande en bij gebreke van contra-indicaties voor de verzochte voogdijbenoeming, zal de rechtbank de GI benoemen tot voogdes over [minderjarige] .
5.5.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
benoemt de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Etten-Leur, tot voogdes over de minderjarige [minderjarige] , geboren op
[geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is in het openbaar uitgesproken door mr. Vriends, rechter, in aanwezigheid van mr. Snatersen op 27 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.