ECLI:NL:RBZWB:2026:233

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/5414
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen uitspraak rechtbank inzake aanslag inkomstenbelasting 2022 ongegrond verklaard

Belanghebbende heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 mei 2025, waarin het beroep van belanghebbende gegrond werd verklaard inzake de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2022.

Tijdens de zitting van 11 december 2025 bevestigde belanghebbende dat hij het eens is met de opgelegde aanslag en erkende dat het met de procedure beoogde resultaat niet haalbaar is. Hij voerde aan dat het belang van rechtszekerheid gediend zou zijn met goedkeuring van de verbouwingsfacturen door de inspecteur, zodat deze niet meer kan terugkomen op deze facturen.

De rechtbank oordeelt dat het verzet ongegrond is omdat er geen redelijke grond is om af te wijken van de eerdere uitspraak. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om het door belanghebbende gewenste resultaat via een rechterlijke beslissing te bereiken. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak van 9 mei 2025 blijft daarmee in stand en het verzet wordt verworpen.

Uitkomst: Het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van 9 mei 2025 wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5414

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 mei 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 9 mei 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond heeft verklaard.
2. De rechtbank heeft het verzet op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 9 mei 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
4. Belanghebbende voert in verzet aan dat er niet direct een financieel belang is gediend met het beroep, maar wel het belang van rechtszekerheid. Belanghebbende wil dat de inspecteur de facturen van de verbouwing goedkeurt, zodat de inspecteur daar de komende 30 jaar niet op terug kan komen en de facturen dan misschien kwijt zijn geraakt. Belanghebbende verwijst voor de onderbouwing van zijn belang naar een uitspraak van de Hoge Raad [2] .
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Belanghebbende heeft ter zitting nogmaals bevestigd dat hij het eens is met de opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2022. Ook heeft hij aangegeven dat hij zich realiseert dat hetgeen hij wil bereiken met de procedure niet mogelijk is. De rechtbank ziet geen weg om het door belanghebbende gewenste resultaat door middel van een rechterlijke beslissing te bereiken.

Conclusie en gevolgen

7. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 9 mei 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr.W. Dekkers, griffier op 21 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:629.