ECLI:NL:RBZWB:2026:2336

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
C/02/445080 / JE RK 26-261
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 1:247 BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige bij moeder

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de moeder. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag, maar de vader werkt niet mee aan contactherstel met de minderjarige en toont twijfels over zijn vaderschap. De moeder woont inmiddels met de kinderen in een eigen woning en de minderjarige ontwikkelt zich goed.

De kinderrechter constateert dat de vader correct is opgeroepen maar niet is verschenen. De GI heeft herhaaldelijk geprobeerd contact te leggen met de vader, maar deze weigert begeleid contact met de minderjarige. De communicatie tussen ouders verloopt moeizaam, waardoor gezagsbeslissingen vertraging oplopen. De GI wil de maatregel afsluiten, mits het hoofdverblijf van de minderjarige wordt gewijzigd naar de moeder.

De kinderrechter overweegt dat de wettelijke vereisten voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld. De verlenging wordt toegekend voor zes maanden tot 4 september 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tevens wordt de vader opgeroepen om in het belang van de minderjarige het gesprek aan te gaan over begeleid contact, omdat contact met beide ouders belangrijk is voor de ontwikkeling van het kind.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de moeder worden verlengd tot 4 september 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445080 / JE RK 26-261
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie [geboorteplaats] , hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
In het procesdossier zit het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 13 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 februari 2026. Bij die zitting zijn verschenen en heeft de kinderrechter gehoord:
  • de moeder (via een tweezijdige beeld- en geluidsverbinding via MS Teams);
  • twee vertegenwoordigsters namens de GI.
1.3.
De kinderrechter constateert bij aanvang van de zitting dat de vader niet is verschenen. Omdat de vader is aangemerkt als belanghebbende in deze procedure, dient de kinderrechter te controleren of hij correct is opgeroepen. De kinderrechter stelt vast dat de vader op 19 februari 2026, daarmee met inachtneming van de minimale oproepingstermijn van een week, zowel per gewone als aangetekende post is opgeroepen voor de zitting op het adres waarmee hij bij de gemeente ingeschreven staat in de Basisregistratie personen (BRP). De kinderrechter stelt derhalve vast dat de vader correct is opgeroepen voor de zitting. De kinderrechter heeft de behandeling van het verzoek daarom buiten aanwezigheid van de vader voortgezet.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 4 maart 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, in dit geval bij de moeder, verleend tot 4 maart 2026.

3.De verzoeken van de GI en de onderbouwing daarvan

3.1.
De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, in dit geval bij de moeder, te verlengen voor de duur van zes maanden, dus tot 4 september 2026, en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft ter onderbouwing daarvan, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. In augustus 2025 is de moeder samen met [minderjarige] en de andere kinderen uit het gezin verhuisd naar een eigen woning. De moeder is een eigen bedrijf gestart en [minderjarige] gaat tweemaal per week naar het kinderdagverblijf. [minderjarige] lijkt zich goed te ontwikkelen. Er worden geen zorgen gezien over de (opvoed)situatie van [minderjarige] bij de moeder. In lijn met het vonnis in kort geding van 7 februari 2025 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is er geprobeerd om te komen tot contact(herstel) tussen enerzijds [minderjarige] en anderzijds de vader en halfbroer [persoon] . De vader heeft echter herhaaldelijk aangegeven dat hij niet openstaat voor begeleid contact. De vader wil wachten totdat [minderjarige] oud genoeg is om zelf contact met hem te zoeken. De GI heeft tegen de vader gezegd dat hij het moet laten weten als hij van gedachten verandert. De vader heeft daarnaast benoemd dat hij twijfels heeft of hij wel de biologische vader van [minderjarige] is. In de vorige beschikking heeft de kinderrechter overwogen dat als de ouder(s) twijfels hebben over het biologische vaderschap van de vader over [minderjarige] , dat zij zelf stappen moeten zetten om hierover de nodige duidelijkheid te krijgen. Maar dat heeft de vader tot op heden niet gedaan. Daarnaast zijn de ouders niet in staat om op een goede manier met elkaar te communiceren en afspraken te maken over [minderjarige] , terwijl zij gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Het oudercontact loopt momenteel via de GI. Echter hebben de GI en de vader minimaal contact met elkaar, ondanks herhaalde pogingen daartoe vanuit de GI. Vanwege de beperkte bereikbaarheid en medewerking van de vader, kunnen bepaalde (gezags)beslissingen over [minderjarige] niet (tijdig) genomen worden.
3.3.
Nu de vader het contact met [minderjarige] , de moeder en de GI blijft afhouden en er geen zorgen worden gezien over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder, is de GI voornemens om in de komende periode in te zetten op een afsluiting van de maatregelen en op het voortzetten van de hulpverlening op vrijwillige basis. De GI ziet als vereiste hiervoor dat het hoofdverblijf van [minderjarige] wordt gewijzigd naar de moeder. De moeder heeft via haar advocaat daartoe al het een en ander in gang gezet. Het beste zou zijn als de ouders dit in onderling overleg kunnen regelen. Hoewel de gezamenlijke gezagsuitoefening momenteel moeizaam verloopt, ziet de GI op dit moment nog onvoldoende aanleiding om de Raad te verzoeken om een onderzoek te verrichten naar de noodzaak van een beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader over [minderjarige] door middel van een gezagsbeëindigende maatregel. Daarvoor is namelijk meer dossieropbouw nodig. Maar de GI stelt zich wel op het standpunt dat een gezagsbeëindiging in het belang van [minderjarige] te achten is en beter aansluit bij de huidige, feitelijke situatie waarin de vader niet meewerkt en de oudercommunicatie via de GI en de advocaten loopt.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
De moeder heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige] ontwikkelt zich goed bij de moeder. De rust in het gezin is inmiddels wat wedergekeerd. Maar er lopen nog verschillende kwesties tussen de ouders, zoals dat de vader blijft weigeren om bepaalde spullen van de moeder en de kinderen terug te geven en er is een strafzaak aanhangig tegen de vader vanwege onder meer mishandeling. Nu het contact tussen de ouders zeer moeizaam verloopt, maakt de moeder zich zorgen over wat er gaat gebeuren en op welke manier de belangrijke (gezags)zaken over [minderjarige] geregeld moeten worden nadat de ondertoezichtstelling is geëindigd. De moeder vindt het dan ook fijn als de GI nog wat langer betrokken blijft.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4.
Op grond van artikel 1:265c, tweede lid BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.5.
De kinderrechter verwijst naar de inhoud van de vorige beschikking van 4 maart 2025. Bij deze beschikking is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI en is er een machtiging tot uithuisplaatsing verleend gericht op de plaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De kinderrechter heeft daarbij de volgende doelen geformuleerd waaraan in het kader van de ondertoezichtstelling dient te worden gewerkt:
  • het continueren van een veilige leefomgeving voor [minderjarige] ;
  • het uitvoeren van de contactregeling tussen de vader en [minderjarige] , volgens het vonnis in kort geding van 7 februari 2025 en indien verantwoord, die uit te breiden;
  • het creëren van een veilige opvoedsituatie voor [minderjarige] waarbij voor de moeder de hulpverlening bij [hulpverlening] wordt gecontinueerd en zij leert om te gaan met de angsten die zij voor de vader heeft en die zij niet aan [minderjarige] meegeeft en op het inzetten van hulpverlening voor de vader, waarbij aandacht is voor emotieregulatie en inzicht in het gevolg van zijn gedrag richting de moeder en hetgeen dit teweeg brengt. Daarnaast moet er ingezet worden op het aansluiten van de vader bij [minderjarige] , zodat er veilig contact kan zijn tussen de vader en [minderjarige] ;
  • hulpverlening dient er ingezet te worden voor de ouders, gezamenlijk. Hierbij moet aandacht zijn voor het beëindigen van (juridische) strijd en het voorkomen van conflicten; de communicatie en de samenwerking tussen de ouders; het afhechten en verwerken van de scheiding;
  • er dient zicht te komen op een definitieve verblijfplaats van [minderjarige] en de rol van de beide ouders hierin (verdeling zorg- en opvoedingstaken).
5.6.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Gebleken is dat de zorgen over het ontbreken van structureel contact tussen de vader en [minderjarige] , en daarmee over de verdere (identiteits)ontwikkeling van [minderjarige] , die hebben geleid tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] , nog steeds aanwezig zijn. Ondanks dat de GI herhaaldelijk heeft geprobeerd om op een goede manier contact te onderhouden met de vader en in te zetten op contact(herstel) tussen de vader en [minderjarige] , is dit niet gelukt. De vader houdt namelijk de contacten met [minderjarige] , de moeder en de GI af. De vader wil absoluut geen begeleide contacten met [minderjarige] hebben, zo heeft hij tegen de GI gezegd. Nu de vader niet openstaat voor begeleid contact met [minderjarige] en hij geenszins meewerkt met de noodzakelijk geachte hulpverlening, is de GI voornemens om de maatregel af te sluiten. De GI heeft hierbij als voorwaarde gesteld dat het hoofdverblijf van [minderjarige] wordt gewijzigd naar de vrouw. Aangezien dit proces pas onlangs is opgestart (door de moeder en haar advocaat) en eerst wordt geprobeerd om een en ander buiten rechte te regelen en op te lossen, is het van belang dat de GI nog wat langer betrokken blijft om dit proces te begeleiden en de situatie te monitoren. Van belang is ook dat de GI aandacht houdt voor de uitoefening van het gezag over [minderjarige] , zeker gezien de bestaande, onveilige verhoudingen tussen de ouders. Daarnaast is het van belang dat [minderjarige] bij de moeder kan blijven wonen. Daarmee wordt, naar het oordeel van de kinderrechter, voldaan aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De kinderrechter zal de verzoeken, die niet zijn weersproken, daarom toewijzen en beide maatregelen verlengen voor de (verzochte) duur van zes maanden, dus tot 4 september 2026.
5.7.
De kinderrechter zal deze beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en moet worden uitgevoerd door de GI, ook als daartegen een hoger beroep wordt ingesteld.
5.8.
De kinderrechter overweegt ten overvloede nog het volgende richting de vader. Voor ieder kind, en dus ook voor [minderjarige] , is het belangrijk dat het contact heeft met zijn beide ouders (tenzij dit niet in zijn belang wordt geacht omdat er bijvoorbeeld zorgen zijn over de veiligheid). In dit geval is er al langere tijd geen sprake geweest van contact tussen de vader en [minderjarige] . Om die reden moet het contact, naar het oordeel van de kinderrechter, voorzichtig en op een verantwoorde manier worden hersteld. Voor [minderjarige] zal het namelijk, in ieder geval aan het begin, spannend zijn om weer contact te hebben met zijn vader. Bovendien moet voorkomen worden dat het contact, zodra het contact eenmaal is hersteld, opnieuw wordt verbroken, met als gevolg dat [minderjarige] opnieuw onduidelijkheid ervaart, hij teleurgesteld wordt en/of hij misschien zelfs de schuld daarvan op zich zal nemen (ook al is [minderjarige] nog maar 1,5 jaar oud). Gelet hierop kan de kinderrechter het standpunt van de GI dat het contact tussen de vader en [minderjarige] in ieder geval aan het begin onder begeleiding moet plaatsvinden, volgen. De kinderrechter benadrukt hierbij dat het in beginsel niet de bedoeling is dat de begeleiding voor altijd zal voortduren (mits er geen zorgen zijn over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader en/of er andere contra-indicaties zijn voor onbegeleid contact). Als na een aantal contactmomenten blijkt dat de contacten goed verlopen en de vader en [minderjarige] aan elkaar zijn gewend, dan kan de begeleiding mogelijk binnen een korte termijn - lees: binnen een aantal keer - worden afgebouwd. De kinderrechter roept de vader daarom op, in het belang van [minderjarige] én van hemzelf, om over zijn eigen schaduw te stappen en om in ieder geval het gesprek met de GI hierover aan te gaan. Met wachten totdat [minderjarige] oud genoeg is om zelf het contact met zijn vader te zoeken - die hij te zijner tijd helemaal niet kent - is namelijk niemand gebaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 4 september 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouder met gezag, in dit geval bij de moeder, tot 4 september 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 10 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.