ECLI:NL:RBZWB:2026:2340

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
C/02/445276 / JE RK 26-295
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens ernstige problematiek

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De minderjarige kampt met ernstige problematiek, waaronder een zeer lage eigenwaarde, suïcidaliteit, gameverslaving en trauma- en depressieproblematiek. Eerder ingezette intensieve behandelprogramma's bij hulpverleningsinstanties hebben onvoldoende resultaat opgeleverd, mede door wegloopgedrag en het zich onttrekken aan behandeling.

De minderjarige verblijft sinds kort op een woongroep van een jeugdhulpaanbieder, maar de GI is nog niet overtuigd van de geschiktheid van deze plaatsing en onderzoekt verdere mogelijkheden. De moeder staat achter het verzoek, maar uit zorgen over het behandeltraject bij een andere hulpverlener. De vader heeft de minderjarige kort opgevangen en erkent de ernst van de problematiek.

De kinderrechter oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Gezien de diepe problematiek, het falen van eerdere behandelingen en de onhoudbare thuissituatie, is een professionele omgeving vereist. De machtiging wordt verleend voor de periode van 5 maart 2026 tot 3 april 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445276 / JE RK 26-295
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. G.A.P. Avontuur uit Breda.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader], hierna te noemen de vader.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 19 februari 2026 en alle daarin vermelde stukken;
- het bericht van de advocaat van de vader van 25 februari 2026.
1.2.
Op 27 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.
1.4.
De advocaat van de vader heeft bij voormeld bericht verzocht om de vader in deze procedure aan te merken als belanghebbende. De kinderrechter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling, op basis van de beschikbare informatie, geoordeeld dat de vader niet als belanghebbende kan worden aangemerkt onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Het verzoek om hem aan te merken als belanghebbende is dan ook afgewezen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft sinds kort op een woongroep van [accommodatie] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 februari 2026 een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs, dan wel een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, tot 5 maart 2026. De kinderrechter heeft deze beslissing genomen zonder de belanghebbende te horen.

3.Het (resterende) verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs, dan wel een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Ter toelichting op het verzoek is door de GI aangegeven dat bij [minderjarige] sprake is van individuele problematiek. Er is sprake van een zeer lage eigenwaarde, suïcidaliteit, een gameverslaving en trauma- en depressieproblematiek. Een intensief behandelprogramma daarvoor bij [hulpverlening 1] heeft onvoldoende resultaat gehad, onder meer wegens wegloopgedrag van [minderjarige] en het zich anderszins onttrekken aan het behandelprogramma. [minderjarige] gaat ook niet naar school. De situatie bij de moeder is niet langer houdbaar gebleken. Op dit moment is zij, na een kort verblijf bij haar vader, geplaatst op [crisisgroep] van [accommodatie] . De GI is er nog niet van overtuigd dat dit een juiste plek voor haar is en bekeken zal worden welke plaatsing passend is voor [minderjarige] ook met het oog op het behandeltraject bij de GGZ dat niet dient te stagneren. De komende tijd zal worden bekeken wat de verschillende mogelijkheden zullen zijn en welke plaatsing passend is voor [minderjarige] . Daarnaast zal moeten worden bekeken of er bij de moeder nog draagkracht is voor het traject en wat de wens hierin is van [minderjarige] . Voor nu is het belangrijk dat zij rust krijgt.
4.2.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij achter het verzoek van de GI staat. Zij maakt zich echter wel zorgen over het behandeltraject dat [minderjarige] volgt bij [hulpverlening 2] en dat dit traject mogelijk stagneert door de uithuisplaatsing bij [accommodatie] . De moeder heeft dan ook de voorkeur dat gekeken wordt naar een plaatsing binnen [hulpverlening 2] zodat de behandeling kan worden voortgezet. Verder heeft de moeder naar voren gebracht dat er reeds lange tijd problemen zijn en dat het gedrag van [minderjarige] al heel lang problematisch is. Zij heeft zich eerder onttrokken aan de behandeling bij [hulpverlening 1] . De moeder maakt zich zorgen en vraagt zich af of een uithuisplaatsing verandering zal brengen. Ook maakt zij zich zorgen over de kwetsbaarheid van [minderjarige] . Zij is al twee keer slachtoffer geworden van sextortion.
4.3.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij [minderjarige] een paar dagen heeft opgevangen. Hij had zich niet gerealiseerd dat de problematiek van [minderjarige] zo ernstig was. Tijdens de dagen bij hem was [minderjarige] rustig. Zij was erg moe en heeft veel geslapen. Daarna is zij op de woongroep van [accommodatie] geplaatst.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De kinderrechter heeft daarbij in overweging genomen dat er bij [minderjarige] sprake van diepgaande forse problematiek. Er is reeds veel hulpverlening en behandeling ingezet. Een eerder behandeltraject bij [hulpverlening 1] heeft onvoldoende resultaat gehad. De situatie bij de moeder is geëscaleerd en ook een langer verblijf bij de vader is niet voldoende om de problematiek van [minderjarige] te kunnen behandelen. Daarvoor is op dit moment een professionele omgeving nodig. Door de GI zal de komende periode moeten worden bekeken welke plek passend is voor [minderjarige] . Daarbij moet ook het (GGZ)behandeltraject bij [hulpverlening 2] worden meegenomen. Bekeken zal moeten worden hoe dit traject voortgezet kan worden dan wel dat dit deel uitmaakt van de plek waar [minderjarige] kan verblijven. Een uithuisplaatsing van [minderjarige] tot het einde van de ondertoezichtstelling is dan ook noodzakelijk. Het resterende verzoek zal dan ook worden toegewezen.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs met ingang van 5 maart 2026 tot 3 april 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Boink als griffier, en op schrift gesteld op 13 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.