ECLI:NL:RBZWB:2026:2342

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444392 / JE RK 26-142 en C/02/445241 JE RK 26-294
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 800 lid 3 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens onhoudbare thuissituatie en trauma

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die kampt met trauma’s en problematiek door spanningen tussen haar ouders. De minderjarige woont bij de moeder, maar verblijft sinds vijf weken feitelijk bij een vriend, waar zij niet langer kan blijven. De GI verzoekt om een spoedmachtiging en aansluitende brede machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder of gezinsgerichte voorziening tot het einde van de ondertoezichtstelling op 22 oktober 2026.

De kinderrechter heeft de spoedmachtiging van 19 februari 2026 bevestigd na het horen van de moeder en het inwinnen van de mening van de minderjarige. De vader is niet verschenen. De kinderrechter oordeelt dat er geen nieuwe feiten zijn die herroeping van de spoedmachtiging rechtvaardigen. De eerdere machtigingsverzoeken zijn ingetrokken of afgewezen vanwege overlap en procedurele redenen.

De kinderrechter stelt vast dat de thuissituatie onhoudbaar is, de minderjarige niet naar school gaat en ambulante hulpverlening onvoldoende effect heeft. De GI heeft een passende plek in een gezinshuis gezocht, maar deze is nog niet beschikbaar. Daarom wordt een brede machtiging verleend om plaatsingsmogelijkheden te vergroten en te voorkomen dat de minderjarige op straat komt te staan. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de minderjarige wordt opgeroepen mee te werken aan haar plaatsing en behandeling.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een brede machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 22 oktober 2026 en verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers : C/02/444392 / JE RK 26-142 (machtiging tot uithuisplaatsing)
: C/02/445241 / JE RK 26-294 (spoedmachtiging tot uithuisplaatsing)
Datum uitspraak: 27 februari 2026
(Nadere) beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedures

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • het op 23 januari 2026 ontvangen verzoekschrift van de GI met bijlagen (in de zaak met het zaaknummer C/02/444392 / JE RK 26-142);
  • de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 19 februari 2026 en alle daarin genoemde stukken (in de zaak met het zaaknummer C/02/445241 / JE RK 26-294).
1.2.
Op 27 februari 2026 heeft de kinderrechter de verzoeken in beide zaken, gelet op de onderlinge samenhang, gelijktijdig mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting zijn verschenen en gehoord:
  • de moeder;
  • een vertegenwoordigster namens de GI.
1.3.
De vader is, zonder bericht van afmelding, niet verschenen.
1.4.
[minderjarige] heeft, gezien haar leeftijd, het recht om haar mening te geven in deze zaken. Voorafgaand aan de zitting heeft [minderjarige] haar mening gegeven tijdens een gesprek met de kinderrechter. Bij aanvang van de zitting heeft de kinderrechter een samenvatting hiervan gedeeld met de aanwezigen en hen in de gelegenheid gesteld om in de loop van de zitting daarop te reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
[minderjarige] is onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 10 oktober 2025 is deze maatregel verlengd tot 22 oktober 2026.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 19 februari 2026 (in de zaak met het zaaknummer C/02/445241 / JE RK 26-294) is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 19 februari 2026 tot 5 maart 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Deze beslissing is onverwijld gegeven, dus zonder de belanghebbenden daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om hun mening daarover te geven.

3.De verzoeken

In de zaak C/02/445241 / JE RK 26-294:
3.1.
De kinderrechter dient, nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld om te worden gehoord, te beoordelen of er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die ertoe moeten leiden dat de spoedbeslissing van 19 februari 2026 met onmiddellijke ingang dient te worden herroepen.
3.2.
Aan de orde is nog het verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van twee weken, om deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en om deze beslissing onverwijld te nemen, oftewel zonder de belanghebbenden daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord.
3.3.
Daarnaast is nog aan de orde het verzoek van de GI om een (aansluitend) een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 22 oktober 2026.
3.4.
Tijdens de zitting heeft de GI voormeld verzoek om een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen mondeling gewijzigd, in die zin dat zij thans verzoekt om een aansluitende, brede machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 22 oktober 2026.
In de zaak C/02/444392 / JE RK 26-142:
3.5.
De GI heeft in het op 23 januari 2026 ontvangen verzoekschrift verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 22 oktober 2026.

4.De standpunten

De onderbouwing van de verzoeken van de GI
4.1.
De GI heeft ter onderbouwing van haar (mondeling gewijzigde) verzoeken, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige] heeft in haar leven veel onduidelijkheid en onveiligheid meegemaakt, onder andere vanwege de strijd en de spanningen tussen haar ouders. In verband daarmee kampt [minderjarige] met trauma’s en daaraan gerelateerde problematiek. [minderjarige] is weliswaar gestart met EMDR-behandeling, maar na afloop van de sessies had zij last van herbelevingen met emotionele uitspattingen, waarbij zij ook erg boos kon worden. Het lukt de moeder onvoldoende om haar daarbij te begeleiden en te ondersteunen. Het lukt de moeder ook niet om zich aan de (veiligheids)afspraken te houden. [minderjarige] maakt op haar beurt gebruik van de ruimte die daardoor ontstaat; zij houdt zich niet aan de afspraken en zij vertoont zelfbepalend gedrag. In de avonden is [minderjarige] vaak tot laat buiten. Het is dan onduidelijk waar en met wie zij verblijft. Daarnaast zijn er zorgen over de schoolgang van [minderjarige] . Inmiddels gaat zij al gedurende vier maanden niet naar school. De EMDR-therapie van [minderjarige] is tijdelijk stopgezet omdat dit te veel van haar vroeg. Er is intensieve gezinsbegeleiding (IGB) ingezet om de moeder handvatten te geven om de veiligheid thuis te waarborgen en er zijn veiligheidsafspraken gemaakt. Ondanks de inzet van deze hulpverlening en maatregelen worden er in de thuissituatie te weinig stappen gezet. Daarbij wordt gezien dat [minderjarige] in de thuissituatie onvoldoende ruimte ervaart om de noodzakelijk geachte behandeling echt aan te gaan. Om verdere stagnatie van de ontwikkeling van [minderjarige] te voorkomen, is de GI van mening dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is dat zij tijdelijk op een andere plek verblijft. De GI heeft daarom op 23 januari 2026 een verzoek ingediend om voor [minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. De GI heeft [minderjarige] aangemeld bij [hulpverlening] , om een passende plek voor haar te vinden in een gezinshuis.
4.2.
Op 19 februari 2026 is er echter een crisissituatie ontstaan. De GI heeft namelijk vernomen dat [minderjarige] feitelijk al vijf weken in het gezin van een vriend verblijft en dus niet thuis bij haar moeder. De GI is daarom bij voormeld gezin op bezoek geweest. De moeder uit dit gezin heeft tijdens dat gesprek aangegeven dat [minderjarige] gedurende twee dagen spoorloos is geweest en dat [minderjarige] niet langer bij hen in het gezin kan blijven. [minderjarige] wil vanwege de bestaande spanningen absoluut niet terugkeren naar huis. Gelet hierop heeft de GI op dezelfde dag een verzoek ingediend om [minderjarige] met spoed uit huis te plaatsen en deze beslissing onverwijld te nemen, dus zonder de belanghebbenden daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om hun mening daarover te geven. De GI heeft daarbij bewust verzocht om [minderjarige] met spoed te plaatsen op een crisisplek en aansluitend in een gezinshuis.
4.3.
De GI heeft inmiddels vanuit [hulpverlening] vernomen dat er weliswaar zicht is op een passende plek voor [minderjarige] in een gezinshuis, maar dat het onduidelijk is per wanneer die plek daadwerkelijk beschikbaar komt. Op de huidige crisisplek kan [minderjarige] nu nog een week verblijven. Nu er voor [minderjarige] nog geen passende plek in een gezinshuis beschikbaar is en voorkomen moet worden dat zij op straat komt te staan, heeft de GI ter zitting haar verzoek mondeling gewijzigd, in die zin dat zij nu verzoekt om aansluitend een brede machtiging voor [minderjarige] te verlenen teneinde plaatsingsmogelijkheden te vergroten. De GI benadrukt dat de plaatsing van [minderjarige] valt of staat met haar motivatie. De GI kan [minderjarige] van alles aanbieden, maar als [minderjarige] niet wil, dan houdt het op. De veiligheid van [minderjarige] moet gewaarborgd worden. Voorkomen moet worden dat zij in negatieve kringen terecht komt waar zij in aanraking komt met bijvoorbeeld drugs en loverboypraktijken. Hoewel de GI bereid is om alle opties serieus te bekijken, dus ook hetgeen [minderjarige] zelf aandraagt, stelt de GI zich op het standpunt, met het oog op de problematiek van [minderjarige] , dat zij een professionele opvoedsituatie nodig heeft. Een plaatsing bij [persoon] (een ex-vriendje van [minderjarige] ), zoals [minderjarige] graag wil, lijkt dan ook niet passend te zijn. Verder zal er in de komende periode ook voor de moeder traumabehandeling worden ingezet.
4.4.
De GI heeft tot slot voormeld op 23 januari 2026 ontvangen verzoek ingetrokken (in de zaak C/02/444392 / JE RK 26-142) vanwege de overlap van dit verzoek met voormelde verzoeken in de spoedzaak.
De mening van [minderjarige]
4.5.
[minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Bij de vriend waar zij onlangs gedurende vijf weken heeft verbleven, kan [minderjarige] niet langer blijven. Volgens [minderjarige] was de opvoedsituatie daar niet stabiel genoeg. Volgens [minderjarige] kan zij wel bij een andere vriend genaamd [persoon] verblijven. Bij hem thuis is het wel voldoende stabiel. [minderjarige] wil niet terugkeren naar huis en naar haar oude school en zij wil niet naar een gezinshuis.
De mening van de moeder
4.6.
De moeder heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De moeder vindt het belangrijk dat [minderjarige] op een veilige plek verblijft. Bij [persoon] thuis vindt de moeder geen goede plek voor [minderjarige] om te verblijven.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Op grond van artikel 800, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over een uithuisplaatsing van een minderjarige aanstonds worden afgegeven, te weten zonder daaraan voorafgaand horen van partijen, indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
5.3.
De kinderrechter overweegt dat voormelde spoedbeslissing van 19 februari 2026 (in de zaak C/02/445241 / JE RK 26-294) is genomen zonder [minderjarige] en beide ouders daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om daarover te worden gehoord. De zitting in deze zaak heeft inmiddels plaatsgevonden waarbij de moeder is gehoord over het verzoek. De vader is niet verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft [minderjarige] haar mening gegeven tijdens een gesprek met de kinderrechter. Naar aanleiding daarvan is, naar het oordeel van de kinderrechter, niet gebleken dat er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden waardoor de spoedbeslissing van 19 februari 2026 zou moeten worden herroepen.
5.4.
Aangezien de kinderrechter het verzoek om (aansluitend) een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling hierna zal beoordelen en zij daarover zal beslissen, heeft de GI geen belang meer bij het resterende deel van het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen voor de duur van twee weken en onverwijld daarop te beslissen, oftewel zonder de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen om daarover te worden gehoord. De kinderrechter zal het resterende deel van voormeld spoedverzoek daarom afwijzen (in de zaak C/02/445241 / JE RK 26-294).
5.5.
Vanwege de overlap van de verzoeken in beide zaken, heeft de GI het op 23 januari 2026 ontvangen verzoek ingetrokken (in de zaak C/02/444392 / JE RK 26-142). Nu de GI voormeld verzoek heeft ingetrokken, kan dit verzoek niet meer worden onderzocht door de kinderrechter. De kinderrechter zal dit verzoek daarom afwijzen.
5.6.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. [minderjarige] kampt met trauma’s en daaraan gerelateerde problematiek. In verband daarmee is haar verblijf thuis onhoudbaar geworden en gaat zij al maandenlang niet naar school. In de afgelopen periode zijn er meerdere vormen van intensieve, ambulante hulpverlening ingezet zoals IGB en traumabehandeling (waaronder EMDR). Vanwege de doorlopend aanwezige spanningen en onrust in de thuissituatie, waarbij [minderjarige] zelfbepalend gedrag vertoont en zij het gezag van haar moeder ondermijnt, is deze hulpverlening echter onvoldoende van de grond gekomen. In de thuissituatie is op dit moment met betrekking tot het inzetten van ambulante hulpverlening het hoogst haalbare bereikt, zo heeft de GI aangegeven. Om [minderjarige] (en de moeder) in de gelegenheid te stellen om de noodzakelijk geachte hulpverlening en behandeling écht aan te gaan, is het van belang dat [minderjarige] tijdelijk elders verblijft. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat een uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is. De kinderrechter overweegt daarnaast dat [minderjarige] onlangs gedurende vijf weken bij een vriend en zijn moeder in huis heeft verbleven, maar dat zij daar niet langer kan blijven. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij absoluut niet wil terugkeren naar huis. Ook om deze reden is uithuisplaatsing nu in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk. Daarmee wordt, naar het oordeel van de kinderrechter, voldaan aan de wettelijke vereisten voor het verlenen van een (aansluitende) machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige] .
5.7.
De GI heeft [minderjarige] aangemeld voor een gezinshuis via [hulpverlening] . Hoewel er zicht is op een passende plek voor [minderjarige] in een gezinshuis, is die plek op dit moment nog niet beschikbaar. Het is onduidelijk per wanneer die plek wel beschikbaar zal zijn en [minderjarige] dus kan worden overgeplaatst. Om de plaatsingsmogelijkheden te vergroten en te voorkomen dat [minderjarige] op straat komt te staan, zal de kinderrechter het (mondeling gewijzigde) verzoek van de GI toewijzen, in die zin dat zij een brede machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel in een gezinsgerichte voorziening zal verlenen voor de (verzochte) duur van de ondertoezichtstelling, met ingang van heden en tot 22 oktober 2026.
5.8.
De kinderrechter zal deze beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.
5.9.
De kinderrechter benadrukt tot slot nog het volgende. Om de kans te vergroten dat [minderjarige] binnen een korte termijn kan en zal worden overgeplaatst naar een passende plek in een gezinshuis, is het van belang dat [minderjarige] daaraan zal meewerken, dat zij zal luisteren naar wat haar door de begeleiding wordt opgedragen en dat zij zich aan de regels zal houden. Als zij zich meewerkend opstelt en zij zich aan de afspraken houdt (en zij dus niet zal weglopen), dan zullen er eerder meerdere mogelijkheden ontstaan dan als [minderjarige] dat niet doet. Anders zal de GI namelijk de noodzakelijke maatregelen moeten treffen om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. Voorkomen moet worden dat een open plaatsing niet haalbaar blijkt te zijn waardoor de situatie ontstaat dat een gesloten plaatsing onvermijdelijk wordt. [minderjarige] heeft hier dan ook zelf een aandeel en een verantwoordelijkheid in.

6.De beslissing

De kinderrechter:
In de zaak C/02/444392 / JE RK 26-142:
6.1.
wijst het verzoek af;
In de zaak C/02/445241 / JE RK 26-294:
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 27 februari 2026 en tot 22 oktober 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en schriftelijk vastgesteld op 10 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.