ECLI:NL:RBZWB:2026:2369
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Wraking
- ing. Peters
- Van Kralingen
- Tempel
- Rechtspraak.nl
Wrakingsverzoek rechter wegens vermeende vooringenomenheid ongegrond verklaard
Op 5 maart 2026 diende verzoeker tijdens een zitting een wrakingsverzoek in tegen de voorzitter en twee rechters van de meervoudige strafkamer vanwege het niet horen van een getuige. Dit verzoek werd toen al ongegrond verklaard omdat het niet horen van een getuige een procesbeslissing betreft die geen grond voor wraking kan zijn.
Verzoeker stelde vervolgens dat een passage in het verkorte proces-verbaal onjuist was en vroeg later de rechter om zich te laten verschonen, wat werd geweigerd. Hierop diende verzoeker een nieuw wrakingsverzoek in, stellende dat de rechter vooringenomen zou zijn omdat zij zich niet wilde uitlaten over de onjuistheid van het proces-verbaal en niet wilde afzien van haar taak.
De wrakingskamer oordeelde dat de rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat de aangevoerde gronden geen zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid vormen. Het niet willen ingaan op een verschoningsverzoek is geen grond voor wraking, en de rechter had al erkend dat het proces-verbaal zal worden gecorrigeerd. Daarom is het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond en wordt een volgend verzoek niet in behandeling genomen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is kennelijk ongegrond verklaard en een volgend wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen.