ECLI:NL:RBZWB:2026:239

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
C/02/434387/ HA ZA 25-215
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Benjaddi
  • Van der Plas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:169 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling gebruiksvergoeding voor woning na echtscheiding met uitsluiting van mede-eigenaar

Partijen zijn sinds 2002 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en hebben drie kinderen. Na een echtscheiding die in 2025 definitief werd ingeschreven, bleef de man de woning exclusief bewonen, terwijl de vrouw elders woonde. De vrouw vorderde een gebruiksvergoeding voor het gebruik van de woning sinds september 2022.

De rechtbank oordeelde dat de grondslag voor een gebruiksvergoeding ligt in artikel 3:169 BW Pro, dat bepaalt dat een deelgenoot die het gemeenschappelijk goed met uitsluiting van de ander gebruikt, schadeloos moet stellen. De man voerde aan dat de vrouw tot oktober 2023 gebruik kon maken van de woning vanwege zijn revalidatie en dat hij alle lasten droeg, maar dit verweer werd verworpen.

De rechtbank stelde de ingangsdatum van de gebruiksvergoeding vast op 1 oktober 2023, toen de man feitelijk het exclusieve gebruik begon. De hoogte van de vergoeding werd berekend op 2% van de helft van de overwaarde van de woning, gebaseerd op de WOZ-waarde per 1 januari 2023 minus de hypothecaire lening, wat resulteerde in €145,38 per maand.

De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Man moet vanaf 1 oktober 2023 een gebruiksvergoeding van €145,38 per maand aan vrouw betalen voor exclusief gebruik van de woning.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie-en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/434387/HA ZA 25-215
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres,
advocaat voorheen mr. drs. A.M. Slootweg, nu mr. M.H.C. Karens,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. Th. Kremers.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 september 2025 en alle daarin vermelde stukken;
- de akte overleggen producties van mr. Kremers met producties genummerd 7 tot en met 10.
1.2.
De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 5 december 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, haar advocaat en de advocaat van de man.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:
- partijen zijn op 21 juni 2002 met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen;
- uit het huwelijk zijn geboren:
- [kind 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2004;
- [kind 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2009;
- [kind 3] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 3] 2012;
- bij beschikking van 21 juli 2023 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- tegen deze beschikking is, onder meer tegen de echtscheiding, hoger beroep ingesteld;
- bij beschikking van 9 januari 2025 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof) geoordeeld dat de echtscheiding kon worden uitgesproken. De echtscheiding is vervolgens op 29 april 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
- partijen zijn, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning aan [adres]
te [woonplaats 2] (hierna: de woning);
- de man bewoont met uitsluiting van de vrouw de woning;
- bij beschikking van 9 januari 2025 heeft het hof de vordering van de vrouw tot
verdeling van de woning uitgesloten voor de duur van 3 jaar, te rekenen vanaf
9 januari 2025.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert de man te veroordelen om, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. binnen vier dagen na betekening van het vonnis alle gegevens genoemd in
randnummer 9 van de dagvaarding te verstrekken op basis waarvan de maximale
huurprijs kan worden berekend op grond van de huurcommissie-website, zulks op
straffe van een dwangsom van € 500,= voor elke dag dat de man daarmee geheel of
gedeeltelijk in gebreke blijft;
II. met ingang van 26 september 2022, althans een door de rechtbank in goede justitie
te bepalen ingangsdatum, een redelijke vergoeding voor het gebruik van de woning
te betalen van
primair:de helft van de maximale huurprijs op grond van de huurcommissie-
website,
subsidiair:van € 467,= per maand;
III. de kosten van deze procedure te betalen.
3.2.
De man voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vrouw legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. De man heeft sinds februari 2023, met uitsluiting van haar, het gebruik en genot van de woning. Zij verblijft in een huurwoning. Gezien de beschikking van het hof van 9 januari 2025 zal deze situatie de komende jaren nog zo blijven. Zij acht het dan ook redelijk dat er een gebruiksvergoeding wordt vastgesteld voor de periode dat zij geen gebruik kan maken van de woning. Daarbij beroept zij zich op artikel 3:169 BW Pro.
Voor wat betreft de hoogte van de gebruiksvergoeding zoekt zij primair aansluiting bij de hoogte gelijk aan die van de huurwaarde. Deze kan worden berekend via de website van de Huurcommissie, maar daarvoor zal de man eerst de door haar onder I. gevorderde gegevens moeten aanleveren. Subsidiair vordert zij een gebruiksvergoeding vast te stellen op grond van een percentage, te weten 4%, van de helft van de overwaarde van de woning.
De vrouw verzoekt om de gebruiksvergoeding vast te stellen met ingang van
26 september 2022, de datum waarop het verzoek tot echtscheiding is ingediend. Vanaf toen had de man er rekening mee kunnen houden dat een vordering tot een gebruiksvergoeding kon worden ingediend, aldus de vrouw.
4.2.
Volgens de man is artikel 3:169 BW Pro gebaseerd op schadeloosstelling als de ene echtgenoot geen gebruik kan maken van gedeelde eigendom. Daarvoor is in ieder tot oktober 2023 geen grond omdat de vrouw tot die tijd daadwerkelijk alleen gebruik kon maken van de woning. Hij revalideerde namelijk na een auto-ongeluk waar hij in 2020 bij betrokken was. Daarvoor verbleef hij doordeweeks dag en nacht in een revalidatiecentrum. Dan hoefde de vrouw alleen in de weekenden in haar huurwoning te verblijven. In beginsel zou er dus recht op een vergoeding zijn per oktober 2023. Maar pas als gevolg van de inschrijving van de echtscheiding op 29 april 2025 kreeg de uitspraak van de rechtbank van 21 juli 2023 werking. Dit betekent dat de vrouw pas vanaf 29 april 2025 feitelijk geen gebruik meer kon maken van haar deelgenootschap. Maar ook dit maakt volgens de man niet dat hij een vergoeding aan de vrouw zou zijn verschuldigd. Hij draagt namelijk vanaf het moment dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden, 26 september 2022, alle lasten van de woning. Bovendien hebben er langere tijd procedures tussen partijen gelopen waarin de vrouw geen aanspraak heeft gemaakt op een gebruiksvergoeding.
Indien en voor zover er al een gebruiksvergoeding zou moet worden bepaald acht de man het niet redelijk om te rekenen met een huurwaarde omdat hij alle lasten van de woning draagt. Bovendien is het aan de vrouw en niet aan hem om de gegevens aan te leveren.
Indien de subsidiaire rekenwijze van de vrouw wordt gevolgd zou hooguit met 2% moeten worden gerekend. Daarnaast dient volgens de man een bedrag ter hoogte van op dit moment € 14.404,35 in mindering te strekken op de berekende overwaarde zoals het hof dat onder rechtsoverweging 5.33. heeft bepaald.
Grondslag voor gebruiksvergoeding
4.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Een gebruiksvergoeding vindt haar grondslag in artikel 3:169 BW Pro. Dit artikel bepaalt: “Tenzij een regeling anders bepaalt, is iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is”. Deze wettelijke bepaling heeft mede tot strekking de deelgenoot (in dit geval de man) die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot (in dit geval de vrouw) gebruikt, te verplichten de deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en/of genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding.
4.4.
De grondslag voor die schadeloosstelling kan naar het oordeel van de rechtbank
niet alleenzijn gelegen in het gemiste gebruik en/of genot van de eigendom
maar ookin het gemiste rendement doordat de vrouw verstoken blijft van haar aandeel in de waarde van de woning omdat deze onverdeeld is gebleven en zal blijven tot 9 januari 2028. Het verweer van de man dat er tot oktober 2023, althans tot 29 april 2025, geen grondslag is voor een gebruiksvergoeding omdat de vrouw gebruik kon maken van haar deelgenootschap, wordt dan ook gepasseerd.
4.5.
Ook het verweer dat de man alle lasten van de woning vanaf 26 september 2022 heeft voldaan en daarom geen gebruiksvergoeding verschuldigd is, slaagt niet. Het hof overweegt onder 5.33. van de beschikking van 9 januari 2025 dat partijen het erover eens zijn dat de vrouw de helft van de hypotheekaflossingen dient te voldoen met ingang van
1 oktober 2022 tot de datum van verdeling van de woning. Op de zitting van 5 december 2025 is gebleken dat partijen in onderling overleg de afspraak hebben gemaakt dat het totale aandeel van de vrouw in die lasten verrekend zal worden bij de verdeling van (de overwaarde van) de woning. Dit betekent dat de vrouw per saldo haar aandeel zal leveren in de hypotheekaflossingen van de woning. Ten aanzien van de hypotheekrente heeft het hof al bepaald dat dit gebruikslasten zijn en als zodanig voor rekening van de man komen.
Voor zover de man heeft verwezen naar zijn als productie 7 overgelegde overzicht en de daarin opgenomen gemeentelijke belastingen, waterschapheffingen en verzekeringen is de rechtbank van oordeel dat, indien deze door de man zijn betaald, dit niet in de weg staat aan de rechtsgrond voor het vorderen van een gebruiksvergoeding. Het ligt op de weg van de man om in dit verband zo nodig een regresvordering in te stellen. Nog daargelaten dat uit het overzicht niet kan worden afgeleid welke kosten voor rekening komen van de eigenaar en welke kosten van de gebruiker.
4.6.
De man heeft nog gesteld dat er gedurende langere tijd procedures tussen partijen hebben gelopen en dat de vrouw al die tijd geen beroep heeft gedaan op een gebruiksvergoeding maar de man heeft nagelaten aan deze stelling rechtsgevolgen te verbinden zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.
4.7.
Dit betekent dat de vrouw in beginsel aanspraak kan maken op een gebruiksvergoeding. Ter beoordeling staan de ingangsdatum en de hoogte van die gebruiksvergoeding.
Ingangsdatum
4.8.
Wat betreft de ingangsdatum overweegt de rechtbank als volgt. Omdat de gemeenschap van goederen eindigt op het tijdstip van indiening van het echtscheidingsverzoek en daarmee de echtelijke woning vatbaar is geworden voor verdeling, kan het recht op een gebruiksvergoeding op grond van artikel 3:169 BW Pro in beginsel aanvangen vanaf dat tijdstip, in dit geval 26 september 2022. De vraagt ligt voor vanaf wanneer de vrouw redelijkerwijs gebruik kon/mocht maken van dat recht.
4.9.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit de stukken en hetgeen is besproken op zitting volgt dat de man in 2020 een ernstig auto-ongeval heeft gehad. In de loop van 2022 heeft de vrouw aan de man te kennen gegeven dat zij niet verder met hem wenste te gaan. Volgens de vrouw was er vanaf toen een soort birdnesting in de woning. De man revalideerde doordeweeks in het [revalidatiecentrum] in [plaats] waarbij zij in de woning verbleef. In de weekenden verbleef de man in de woning en zij in haar huurwoning. Deze situatie was aan de orde totdat de vrouw in 2023 is opgenomen in een GGZ instelling. Desgevraagd is op de zitting echter onduidelijk gebleven wanneer dat was in 2023, hoe lang de vrouw opgenomen is geweest en of zij in die tijd nog gebruik heeft gemaakt van de woning. Wel is onbetwist gebleven dat de man vanaf oktober 2023 met uitsluiting van de vrouw in de woning verbleef. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het redelijk de ingangsdatum van de gebruiksvergoeding op 1 oktober 2023 te stellen.
Vanaf dat moment miste de vrouw feitelijk het gebruik van haar mede-eigendom èn het genot van haar aandeel in de waarde van die woning.
Hoogte gebruiksvergoeding
4.10.
De vrouw vordert primair om een gebruiksvergoeding vast te stellen ter hoogte van de huurwaarde. De rechtbank overweegt dat deze wijze van berekenen werd gebruikt ten tijde van de huizencrisis waarin er sprake was van een onderwaarde van koopwoningen. Een andere berekeningswijze, bijvoorbeeld waarvan werd uitgegaan van een overwaarde van woningen, zou dan namelijk niet tot een gebruiksvergoeding leiden. In het licht van de gemotiveerde betwisting door de man heeft de vrouw verder niet gemotiveerd onderbouwd waarom voor de rekenwijze op basis van de huurwaarde zou moeten worden gekozen. Het enkele feit dat de vrouw zelf huurt is onvoldoende onderbouwing om voor deze rekenwijze te kiezen.
4.11.
Dit betekent dat een gebruiksvergoeding vastgesteld dient te worden op grond van de door de vrouw subsidiair gevorderde wijze te weten op basis van een percentage van de helft van de overwaarde van de woning. Dat percentage is dan naar het oordeel van de rechtbank afhankelijk van het rendement dat de vrouw zou hebben kunnen maken over haar vermogen, dat ‘vast zit’ in de woning. Gelet op de huidige rentevergoedingen op spaarrekeningen, vindt de rechtbank het redelijk om uit te gaan van 2% over het aandeel van de vrouw in de overwaarde.
4.12.
Ter bepaling van de overwaarde is tussen partijen niet in geschil om voor de hoogte van de hypothecaire lening uit te gaan van een bedrag van € 354.540,80. Wel is de waarde van de woning in geschil. Volgens de vrouw dient schattenderwijs te worden uitgegaan van een waarde van € 625.000,= gezien de prijzen van woningen in de buurt. Feitelijk zou de waarde volgens de vrouw moeten worden vastgesteld door een taxateur.
Volgens de man dient aangesloten te worden bij de WOZ-waarde van woning per peildatum. De rechtbank volgt hierin het standpunt van de man, temeer omdat partijen de hoogte van de hypothecaire lening hebben gefixeerd per peildatum 26 september 2022 en de WOZ-waarde per die datum uit de stukken kan worden afgeleid. Daarvoor zoekt de rechtbank namelijk aansluiting bij de in productie 9 van de man aangegeven waarde per
1 januari 2023 (de dichtst bij de peildatum gelegen datum) van € 529.000,=. Dan bedraagt de overwaarde € 529.000,= minus € 354.540,80 is € 174.459,20. De helft daarvan is
€ 87.229,60.
4.13.
De rechtbank passeert het standpunt van de man om bij de berekening van de overwaarde rekening te houden met een bedrag van ruim € 14.000,= dat in het kader van de verdeling van het huwelijksvermogen nog tussen partijen dient te worden afgewikkeld. Op de zitting is namelijk gebleken dat dit bedrag niets te maken heeft met de woning. Dit laat uiteraard onverlet dat partijen hierover afspraken kunnen maken bij de uiteindelijke verdeling van de woning.
4.14.
De gebruiksvergoeding die de man verschuldigd is wordt dan als volgt berekend:
2% x € 87.229,60 = € 1.744,59 per jaar, wat neer komt op € 145,38 per maand.
Proceskosten
4.15.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden
gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt dat de man met ingang van 1 oktober 2023 aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 145,38 per maand als gebruiksvergoeding;
5.2.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Benjaddi en in aanwezigheid van mr. Van der Plas in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.