Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2404

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
BRE 26/1167
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 7:4 AwbArt. 7:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening schorsing boekenonderzoek en invordering belastingaanslagen

Verzoeker heeft bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzocht om schorsing van het lopende boekenonderzoek en alle invorderingsmaatregelen voor de jaren 2017 tot en met 2021, alsmede om de Belastingdienst te bevelen bepaalde stukken, waaronder integrale AVG-logging en interne communicatie, te overleggen.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek en stelde vast dat het boekenonderzoek nog niet had geleid tot een besluit waartegen bezwaar of beroep was ingesteld, waardoor het verzoek tot schorsing van het boekenonderzoek niet-ontvankelijk was. Voor de invorderingsmaatregelen werd vastgesteld dat alleen voor de jaren 2018 en 2019 aan het vereiste van connexiteit was voldaan, terwijl voor de jaren 2017, 2020 en 2021 het verzoek niet-ontvankelijk was of de voorzieningenrechter onbevoegd was.

Daarnaast werd het verzoek tot overlegging van stukken afgewezen omdat de voorzieningenrechter deze stukken niet nodig achtte voor de voorlopige voorziening en geen spoedeisend belang werd vastgesteld. De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom geheel af, waarbij tevens werd opgemerkt dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, onbevoegdheid en gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 26/1167

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, ontvangen door de rechtbank op 26 februari 2026.
1.1.
Verzoeker verzoekt in zijn verzoekschrift de voorzieningenrechter om (i) schorsing van het boekenonderzoek en alle invorderingsmaatregelen voor de jaren 2017 tot en met 2021, (ii) de Belastingdienst te bevelen binnen 48 uur de integrale AVG-logging en de selectiebeslissing ongecensureerd over te leggen, en (iii) de Belastingdienst te bevelen de interne e-mailwisselingen met een inspecteur en verslagen van contacten met derden te overleggen.
1.2.
In een nader ingebracht stuk verzoekt verzoeker de voorzieningenrechter verder om kortgezegd de Belastingdienst te bevelen alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen, waaronder in ieder geval de selectiegegevens, interne communicatie, logging, klachtstukken en stukken betreffende de betrokkenheid van verschillende inspecteurs.
1.3.
De ontvanger heeft op het verzoek gereageerd bij brief van 12 maart 2026.

Karakter voorlopige voorziening

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, ook wel bodemprocedure genoemd, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Daarbij gelden als voorwaarden dat tegelijkertijd tegen hetzelfde besluit een bezwaar- of beroepsprocedure loopt (vereiste van connexiteit) en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. [1] Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet.
2.1.
De voorzieningenrechter kan uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen voor een zitting, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. [2] De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.2.
De voorzieningenrechter begrijpt uit de stukken van verzoeker dat hij een drietal verzoeken doet, te weten (i) schorsing van het lopende boekenonderzoek, (ii) schorsing van invorderingsmaatregelen over de jaren 2017 tot en met 2021, en (iii) overlegging van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder een aantal stukken in het bijzonder.
De voorzieningenrechter zal deze verzoeken, voor zover ontvankelijk, hierna achtereenvolgens behandelen.
(i)
Schorsing van het lopende boekenonderzoek
2.3.
De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker verzoekt om schorsing van het door de inspecteur bij hem ingestelde boekenonderzoek dat betrekking heeft op de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2021. Zoals in 2 beschreven kan een verzoek om een voorlopige voorziening worden toegewezen indien, onder meer, voldaan wordt aan het vereiste van connexiteit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ten aanzien van het verzoek dat ziet op het lopende boekenonderzoek, niet aan dat vereiste is voldaan. De inspecteur heeft onbetwist gesteld dat het boekenonderzoek nog niet heeft geleid tot het opleggen van een (of meerdere) belastingaanslagen. Dat betekent dat met betrekking tot het boekenonderzoek geen sprake is van een besluit waartegen bezwaar of beroep is ingesteld. Het verzoek is daarom in zoverre kennelijk niet-ontvankelijk.
(ii)
Schorsing van de invorderingsmaatregelen over de jaren 2017 tot en met 2021
2.4.
Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter verder om alle invorderingsmaatregelen over de jaren 2017 tot en met 2021 te schorsen. Uit de stukken die verzoeker met zijn verzoek meestuurt en uit de reactie daarop van de ontvanger, maakt de voorzieningenrechter op dat het verzoeker gaat om door de ontvanger ingezette invorderingsmaatregelen die verband houden met de aanslagen IB/PVV en Zorgverzekeringswet (Zvw) voor de jaren 2017 tot en met 2021, en navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw over de jaren 2017 en 2018.
2.5.
Voordat de voorzieningenrechter toekomt aan inhoudelijke beoordeling van dat verzoek, beoordeelt zij allereerst het vereiste van connexiteit (zie 2). Uitsluitend voor zover het verzoek verband houdt met de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw die zijn opgelegd voor de jaren 2018 en 2019 is aan dat vereiste voldaan. Hierna licht de voorzieningenrechter dat toe.
2.6.
Ten aanzien van de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw die zien op het jaar 2017 heeft de rechtbank in de hoofdzaken reeds uitspraak gedaan, en heeft verzoeker tegen die uitspraken hoger beroep ingesteld. [3] Het is voor de voorzieningenrechter van de rechtbank niet mogelijk om een voorlopige voorziening te treffen die verband houdt met (de invordering van) (navorderings)aanslagen die reeds door het gerechtshof worden beoordeeld. Het verzoek is in zoverre kennelijk niet-ontvankelijk.
2.7.
Ten aanzien van de jaren 2020 en 2021 heeft de ontvanger onweersproken gesteld dat de inspecteur nog geen aanslagen IB/PVV en Zvw heeft opgelegd. Dat leidt ertoe dat ook voor die jaren niet aan het vereiste van connexiteit als bedoeld in 2 is voldaan. Het verzoek is in zoverre ook kennelijk niet-ontvankelijk.
2.8.
Voor de jaren 2018 en 2019 heeft de ontvanger onweersproken gesteld dat verzoeker bezwaar heeft gemaakt tegen de aan hem opgelegde (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw voor die jaren. Voor zover het verzoek dus op die jaren ziet, is aan het vereiste van connexiteit voldaan.
2.9.
Verzoeker verzoekt voor de jaren 2018 en 2019 om schorsing van invordering van de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw. De belastingkamer van de rechtbank is echter niet bevoegd om te oordelen over de rechtmatigheid van door de ontvanger genomen invorderingsmaatregelen. Daarvoor is een rechtsgang geopend bij de civiele rechter. Voor zover het verzoek is gericht op de rechtmatigheid van de (eventuele) invordering van (navorderings)aanslagen, zal verzoeker zich voor een beslissing tot de civiele rechter moeten wenden. De voorzieningenrechter zal zich in zoverre dan ook kennelijk onbevoegd verklaren.
(iii)
Overlegging van alle op de zaak betrekking hebbende stukken
2.10.
Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter de Belastingdienst te bevelen alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen, waaronder in ieder geval selectiegegevens, interne communicatie, AVG-logging, klachtstukken en stukken over de betrokkenheid van verschillende inspecteurs.
2.11.
Voor zover verzoeker meent dat de door hem genoemde stukken in de procedure van de voorlopige voorziening als op de zaak betrekking hebbende stukken kwalificeren en reeds om die reden moeten worden ingebracht, volgt de voorzieningenrechter hem niet. Voor de beoordeling of het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden toegewezen, heeft de voorzieningenrechter deze stukken namelijk niet nodig.
2.12.
De voorzieningenrechter begrijpt verder dat verzoeker de door hem genoemde stukken wil ontvangen, omdat dat volgens hem stukken zijn die (voor de procedures over) de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2017 tot en met 2021 relevant zijn. Hij stelt in dat kader de stukken ook nodig te hebben ter motivering van zijn hoger beroep bij het gerechtshof tegen de uitspraak van de rechtbank over de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw over het jaar 2017.
2.13.
De voorzieningenrechter merkt op dat ten aanzien van het verzoek slechts in het kader van de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2018 en 2019 is voldaan aan het vereiste van connexiteit. Voor de motivering daarvan verwijst de voorzieningenrechter naar hetgeen hier voor is overwogen in 2.6, 2.7 en 2.8. Voor zover het verzoek dus betrekking heeft op stukken (voor procedures) over de jaren 2017, 2020 en 2021 verklaart de voorzieningenrechter het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk.
2.14.
Inhoudelijk kan de voorzieningenrechter het verzoek dus alleen beoordelen in het kader van de bezwaarprocedure tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2018 en 2019. De voorzieningenrechter begrijpt niet direct wat verzoeker probeert te bewerkstelligen met het verzoek om een voorlopige voorziening in dit kader. Verzoeker kan of kon in die bezwaarprocedures in het kader van een hoorgesprek inzage krijgen in de op de zaak betrekking hebbende stukken omdat deze voor verzoeker ter inzage worden gelegd. [4] Niet gesteld of gebleken is dat dit reeds is gebeurd, dan wel dat de inzage onvolledig is geweest. Of de inspecteur voldaan heeft aan de verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen, is iets dat desgewenst in de hoofdprocedure op de reguliere wijze aan de orde gesteld kan worden en de voorzieningenrechter ziet niet welk spoedeisend belang verzoeker thans heeft bij een voorlopige voorziening over de vraag of de op de zaak betrekking hebbende stukken wel of niet volledig zijn verstrekt. Van een spoedeisend belang in dat kader is dus niet gebleken. De voorzieningenrechter wijst het verzoek reeds daarom af.
2.15.
De beslissing van de voorzieningenrechter hierna opgenomen betekent dat alle verzoeken van verzoeker niet leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening: deels zijn de verzoeken niet-ontvankelijk, deels is de voorzieningenrechter onbevoegd de verzoeken te behandelen – wat ook van het verzoek zij – en deels worden de verzoeken afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het verzoek niet-ontvankelijk voor zover het verzoek ziet op schorsing van het lopende boekenonderzoek;
  • verklaart het verzoek niet-ontvankelijk voor zover het ziet op schorsing van invordering van (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2017, 2020 en 2021;
  • verklaart zich onbevoegd voor zover het verzoek ziet op schorsing van de invordering van (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw 2018 en 2019;
  • verklaart het verzoek niet-ontvankelijk voor zover het verzoek ziet op overlegging van de door verzoeker genoemde stukken in het kader van (procedures tegen) de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2017, 2020 en 2021; en
- wijst het verzoek af voor zover het verzoek ziet op overlegging van de door verzoeker genoemde stukken in het kader van (procedures tegen) de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw 2018 en 2019.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier voorzieningenrechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
3.Bekend bij de rechtbank onder zaaknummers BRE 22/5549 en BRE 24/8028.
4.Op grond van artikel 7:4, tweede lid van de Awb in combinatie met artikel 7:2 van Pro de Awb.