Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 januari 2026 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder
Samenvatting
Procesverloop
.Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Tijdens de zitting op 8 januari 2025 heeft de gemachtigde van verzoekers verder verklaard dat voor het verzoek alleen de grond aan de orde is over de veiligheid van de fietsoversteek op de kruising van de Leursebaan met de Moerdijkse Postbaan en de Liesbosweg. De andere overgebleven inhoudelijke gronden zullen verzoekers in de bezwaarprocedure aanvoeren. De voorzieningenrechter beperkt zijn beoordeling daarom tot het geschilpunt over de veiligheid van de fietsoversteek op de kruising van de Leursebaan met de Moerdijkse Postbaan en de Liesbosweg
In het verkeersbesluit heeft verweerder aangesloten bij de richtlijn ‘Quality parameters for cycle infrastructure: at-grade uncontrolled crossings’ van de European Cyclists’ Federation (ECF-richtlijn). Tabel 14 van deze richtlijn geeft voor dit type fietskruising een maximale etmaalwaarde voor kruisend verkeer van 3.000 PCU per etmaal. [3] Dat komt neer op een maximale waarde van 300 PCU per uur.
Wanneer 450 mvt per uur wordt omgerekend naar PCU per uur, dan levert dat een overschrijding op van de ECF-norm. In het verkeersbesluit zelf staat ten slotte dat overschrijding van de ECF-norm aantoonbaar het risico op ongevallen verhoogt. Verweerder houdt zich ten onrechte dus niet aan deze ECF-norm en de verkeersveiligheid komt daardoor in het geding. Dat de fietsverkeerveiligheid hierdoor in het geding komt wordt bevestigd door in het rapport Buitenruimte waaruit volgt dat twee bijna conflicten en één conflict zijn waargenomen.
Ten tweede en in het verlengde hiervan, is naar oordeel van de voorzieningenrechter ook niet gebleken van een zodanig forse overschrijding van de ECF-norm dat daaruit een urgent gevaarsprobleem zou volgen. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de verkeerstellingen in december een gemiddeld spitsvolume volgt van 281 mvt per uur. Tijdens de zitting heeft verweerder een voorlopige berekening gemaakt waaruit blijkt dat dit spitsvolume neerkomt op maximaal 317 PCU per uur. Hoewel dit inderdaad een overschrijding is van de ECF-norm, is deze overschrijding gering en rechtvaardigt deze niet de conclusie dat het verkeersbesluit een urgent gevaarsprobleem veroorzaakt. Het rapport Buitenruimte bevestigt ook dat geen urgent gevaarsprobleem is ontstaan. Voor dit rapport heeft een camera zeven dagen de verkeersbewegingen gefilmd tijdens de ochtendspits. Deze verkeersbewegingen zijn vervolgens geanalyseerd door een verkeerskundige. In deze periode zijn twee bijna conflicten [4] , één conflict [5] en nul ongevallen [6] waargenomen. Hoewel de voorzieningenrechter niet beschikt over gegevens van het aantal ongevallen en conflicten vóór de geslotenverklaring, is dit aantal ook geen aanwijzing voor een urgent gevaarsprobleem. De voorzieningenrechter weegt hierbij ook mee dat bij alle drie de (bijna-)conflicten de auto’s kwamen vanuit de richting van de Moerdijkse Postbaan. Daarmee lijkt geen van de waargenomen (bijna-)conflicten verband te houden met het sluiten van de Leursebaan. De effecten op de fietskruising kan verweerder nader onderzoeken ten behoeve van de beslissing op bezwaar en het evaluatiemoment, maar de omstandigheid dat sprake is van een beperkte verslechtering op de fietsoversteek is onvoldoende reden om het verkeersbesluit te schorsen. Tegenover dit beperkte nadeel staat immers ook dat het verkeersbesluit op andere plaatsen heeft geleid tot onbetwiste positieve gevolgen.