ECLI:NL:RBZWB:2026:2424

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
02-330042-22
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor brandstichting met levensgevaar in asielzoekerscentrum Middelburg

Op 17 december 2022 stichtte verdachte brand in zijn kamer op de bovenverdieping van een asielzoekerscentrum in Middelburg. De brand veroorzaakte een uitslaande brand die de gehele verdieping zwaar beschadigde en levensgevaar opleverde voor de aanwezige bewoners en medewerkers. Dankzij snel ingrijpen van bewoners, beveiligers en hulpdiensten konden ernstige verwondingen en dodelijke slachtoffers worden voorkomen.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht met een brandbare stof, waardoor gemeen gevaar voor het gebouw en levensgevaar voor personen ontstond. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten. Er waren geen omstandigheden die strafuitsluiting rechtvaardigden.

De rechtbank overwoog dat brandstichting in een gebouw met veel personen een ernstig en levensgevaarlijk delict is, dat gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Verdachte had geen eerdere veroordelingen. De redelijke termijn voor berechting was met ruim vijftien maanden overschreden, wat een strafvermindering van 10% rechtvaardigde.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 60 maanden op, verminderd tot 54 maanden wegens de termijnoverschrijding. De straf zal volledig in detentie worden uitgevoerd, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het vonnis werd gewezen door een meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 1 april 2026.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 54 maanden gevangenisstraf voor brandstichting met levensgevaar in een asielzoekerscentrum.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-330042-22
Vonnis van de meervoudige kamer van 1 april 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
in verband met zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning bekend onder
[V-nummer] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
raadsvrouw mr. C.E.J.E. Kouijzer, advocaat te Middelburg .

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 maart 2026. De raadsvrouw acht zich niet uitdrukkelijk gemachtigd om de verdediging in afwezigheid van verdachte te voeren. Tegen verdachte is verstek verleend. De officier van justitie mr. M. van Leeuwen heeft zijn standpunt kenbaar gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte brand heeft gesticht in het AZC in [plaats] , wat onder meer levensgevaar voor de medebewoners en medewerkers heeft veroorzaakt.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft begaan en heeft gewezen op onder meer de belastende verklaring van [medeverdachte] , welke verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 1] en de verklaring van [getuige 2] .
4.2.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 17 december 2022 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een hoeveelheid onbekende brandbare (vloei)stof,
ten gevolge waarvan een gebouw (asielzoekerscentrum) aan [adres]
en inboedel van dat gebouw, gedeeltelijk zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor dat gebouw en inboedel van dat gebouw, en levensgevaar voor de aanwezige personen en bewoners en medewerkers in het asielzoekerscentrum, en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige personen en bewoners en medewerkers in het asielzoekerscentrum te duchten was.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 54 maanden met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest. In de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met een korting van 10% in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
6.2.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft in de ochtend brand gesticht in zijn kamer op de bovenverdieping in het asielzoekerscentrum (AZC) waar hij verbleef. Dit heeft geleid tot een uitslaande brand die de hele verdieping zwaar heeft beschadigd.
Gezien het vroege tijdstip en het aantal bewoners in het AZC dat dan nog ligt te slapen hadden de gevolgen van de brand vele malen erger kunnen zijn. Dat de schade voor de bewoners en medewerkers, en de rest van het gebouw relatief beperkt is gebleven, is niet aan verdachte te danken, maar aan het feit dat bewoners snel hebben gezien dat de kamer van verdachte in brand stond en aan het snelle optreden van ingeschakelde beveiligers en hulpdiensten. Het AZC kon daarom tijdig worden ontruimd zonder dat bewoners en medewerkers verwondingen hebben opgelopen of zijn overleden.
Brandstichting is een ernstig en (levens)gevaarlijk delict, omdat het tot oncontroleerbare en snel uit de hand lopende situaties kan leiden. Brandstichting in een gebouw met veel personen leidt bij hen bovendien tot gevoelens van angst en onveiligheid. Dergelijke feiten zijn daarnaast ook zeer verontrustend voor de omgeving en voor de samenleving in het algemeen.
Uit het strafblad op naam van verdachte komt naar voren dat hij niet eerder is veroordeeld wegens het plegen van een strafbaar feit.
De rechtbank is van oordeel dat het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dat is gepleegd – zoals hierboven overwogen – zo ernstig zijn dat alleen de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is.
De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als zo'n handeling worden aangemerkt.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. Verdachte is op 17 december 2022 in verzekering gesteld. Hieruit kon hij de verwachting ontlenen dat het openbaar ministerie hem zou vervolgen voor dit feit. Gelet hierop zou een eindvonnis gereed moeten zijn geweest op uiterlijk 17 december 2024. Daarmee is de redelijke termijn in aanzienlijke mate, te weten met ruim vijftien maanden, overschreden. De rechtbank is van oordeel dat genoemde overschrijding van de redelijke termijn matiging van de hierna te vermelden op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
Gelet op de aard en de ernst van het feit en op de straffen die in soortgelijke feiten worden opgelegd acht de rechtbank een gevangenisstraf van 60 maanden passend en geboden. Gezien de ruime overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank een korting van 10% toepassen, zodat een gevangenisstraf van 54 maanden resteert.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 157 van Pro het Wetboek van Strafrecht zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen en gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 54 (vierenvijftig) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter,
en mr. L.W. Louwerse en mr. J.P.E. Mullers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 1 april 2026.
De voorzitter en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 december 2022 te [plaats]
opzettelijk
brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een hoeveelheid
onbekende brandbare (vloei)stof,
althans met een brandbare stof
ten gevolge waarvan een gebouw (asielzoekerscentrum) aan [adres]
[adres] en/of inboedel van dat gebouw, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk
geval brand is ontstaan,
en daarvan gemeen gevaar voor dat gebouw en/of inboedel van dat gebouw, in elk
geval gemeen gevaar voor
goederen en/of
levensgevaar voor de aanwezige personen en/of bewoners en/of medewerkers
in/van het asielzoekerscentrum, in elk geval levensgevaar voor een ander of
anderen en/of
gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige personen en/of bewoners
en/of medewerkers in/van het asielzoekerscentrum, in elk geval gevaar voor
zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.
( art 157 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf Pro/sub 2 Wetboek van Strafrecht)