Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 maart 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.
Inleiding
Voorgeschiedenis
4. Op 13 maart 2026 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn Avg-verzoek. Tegelijkertijd heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
8. De griffier heeft aan verzoeker gevraagd om het spoedeisend belang nader toe te lichten. Daarbij is verzoeker erop gewezen dat een beroep niet tijdig beslissen korte termijnen kent, waarbij er in beginsel binnen 8 weken een uitspraak volgt. Ook is daarbij gewezen op de e-mail van verweerder van 10 februari 2026 waarin is gesteld dat uiterlijk 7 april 2026 een besluit zal worden genomen. De griffier heeft op 17 maart 2026 nog telefonisch contact opgenomen met verweerder. Tijdens dat telefonisch contact is bevestigd dat uiterlijk op 7 april 2026 een besluit zal worden afgegeven. Verder heeft de griffier aan verzoeker meegedeeld dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de bedrijfsarts de stellingen van verzoeker onderschrijft en is aan hem gevraagd om een nadere onderbouwing te geven van zijn stellingen.