Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2426

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
26/1741
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbAlgemene verordening gegevensbescherming (AVG)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake inzage persoonsgegevens AVG

Verzoeker heeft op 22 december 2025 een verzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Breda om inzage te krijgen in de verwerking van zijn persoonsgegevens. Na een verlenging van de beslistermijn tot uiterlijk 7 april 2026, stelde verzoeker op 13 maart 2026 beroep in tegen het niet tijdig beslissen en verzocht hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter beoordeelde het spoedeisend belang van verzoeker, die stelde dat volledige inzage noodzakelijk was voor zijn re-integratietraject en mediation, en dat uitstel schade zou veroorzaken. Ondanks nadere toelichting en overgelegde stukken ontbrak een medische onderbouwing van de noodzaak door een bedrijfsarts of behandelaar.

Gezien de toezegging van verweerder om uiterlijk 7 april 2026 te beslissen en het feit dat de procedure voor niet tijdig beslissen korte termijnen kent, oordeelde de voorzieningenrechter dat verzoeker het besluit kan afwachten. De enkele stellingen over bewijsvernietiging en belangenverstrengeling waren onvoldoende om spoed aan te nemen.

Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1741

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker inzake zijn verzoek om inzage van gegevens op grond van de Algemene verordening gegevensverstrekking (Avg).
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven. Het verzoek is kennelijk ongegrond.
Voorgeschiedenis
Verzoeker heeft op 22 december 2025 aan verweerder verzocht om inzage te geven in de verwerking van zijn persoonsgegevens. Op 25 februari 2026 heeft hij verweerder in gebreke gesteld. Verweerder heeft op 10 februari 2026 aan verzoeker meegedeeld dat, vanwege de complexiteit van zijn verzoek, de beslistermijn is verlengd met maximaal 2 maanden. Daarbij is aangegeven dat verzoeker uiterlijk op 7 april 2026 de documenten kan verwachten.
4. Op 13 maart 2026 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn Avg-verzoek. Tegelijkertijd heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
7. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift gesteld een spoedeisend belang te hebben, omdat hij in een kritiek re-integratietraject zit en volledige inzage in het dossier noodzakelijk is voor het welslagen van de mediation en zijn medisch herstel. Daarbij heeft hij nog opgemerkt dat verweerder een spoor-2 traject heeft proberen te forceren. Verzoeker is van mening dat elke dag dat verweerder de informatie blokkeert, er verdere schade aan zijn gezondheid en arbeidsrechtelijke positie optreedt. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft verzoeker diverse stukken overgelegd.
8. De griffier heeft aan verzoeker gevraagd om het spoedeisend belang nader toe te lichten. Daarbij is verzoeker erop gewezen dat een beroep niet tijdig beslissen korte termijnen kent, waarbij er in beginsel binnen 8 weken een uitspraak volgt. Ook is daarbij gewezen op de e-mail van verweerder van 10 februari 2026 waarin is gesteld dat uiterlijk 7 april 2026 een besluit zal worden genomen. De griffier heeft op 17 maart 2026 nog telefonisch contact opgenomen met verweerder. Tijdens dat telefonisch contact is bevestigd dat uiterlijk op 7 april 2026 een besluit zal worden afgegeven. Verder heeft de griffier aan verzoeker meegedeeld dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de bedrijfsarts de stellingen van verzoeker onderschrijft en is aan hem gevraagd om een nadere onderbouwing te geven van zijn stellingen.
9. Verzoeker heeft op 25 en 26 maart 2026 een schriftelijke onderbouwing gegeven waarom hij van mening is dat er sprake is van spoed. Hij heeft daarbij gewezen op de re-integratie die is gepauzeerd op medisch advies en dat er mediation is geadviseerd. Verzoeker is van mening dat een vruchtbare mediation onmogelijk is, zolang de gevraagde stukken niet zijn overgelegd. Verzoeker vindt dat hij niet tot 7 april 2026 kan wachten, omdat verweerder een spoor-2 traject probeert te forceren. Verder heeft verzoeker nog gesteld te vrezen voor bewijsvernietiging en is hij van mening dat er sprake is van belangenverstrengeling. Verzoeker heeft stukken overgelegd, waarmee hij stelt te onderbouwen dat er sprake is van een medische noodzaak en een spoedeisend belang.
10. Uit de door verzoeker gegeven toelichting blijkt dat hij het noodzakelijk vindt dat alle gegevens zijn verstrekt voordat hij kan meewerken aan een mediationtraject. Uit de overgelegde stukken blijkt echter niet dat de bedrijfsarts of andere behandelaars deze noodzaak onderschrijven. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het belangrijk is voor verzoeker is dat hij inzage in zijn persoonsgegevens krijgt, is met zijn toelichting onvoldoende duidelijk geworden waarom het voor hem onmogelijk is om het besluit van verweerder af te wachten. Dit klemt te meer nu uit de toezegging van verweerder blijkt dat op 7 april 2026 het besluit afgegeven zal worden. Bij dit oordeel heeft de voorzieningenrechter verder betrokken dat verzoeker, voor zover nog noodzakelijk, in het kader van het beroep inzake het niet tijdig beslissen een uitspraak zal krijgen. Omdat voor het beroep niet tijdig beslissen kortere termijnen gelden dan voor een reguliere beroepszaak is de voorzieningenrechter van oordeel dat van verzoeker kan worden verwacht dat hij de uitspraak in deze procedure afwacht.
11. Nu er geen acute noodzaak is aangevoerd waarom verzoeker het besluit dan wel de uitspraak op zijn beroep niet zou kunnen afwachten, is onvoldoende gebleken dat hij een spoedeisend belang heeft bij een oordeel van de voorzieningenrechter. Zijn enkele stelling dat hij vreest voor bewijsvernietiging, dat er (mogelijk) stappen worden gezet om een spoor-2 traject op te starten en dat er sprake zou zijn van belangenverstrengeling, maakt dat niet anders. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 31 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.