ECLI:NL:RBZWB:2026:2432

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
11852972 \ CV EXPL 25-4197
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Speekenbrink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling laatste factuur aanneming werk na geschil over gebreken en schadeverrekening

In deze zaak vordert de aannemer betaling van de laatste factuur voor werkzaamheden in het appartement van de opdrachtgever. De opdrachtgever betwist de volledige betaling vanwege vermeende gebreken en onvoldoende specificatie van de factuur. De kantonrechter oordeelt dat de factuur voldoende gespecificeerd is en dat de aannemer het werk conform afspraak heeft uitgevoerd.

De opdrachtgever kan slechts een specifieke schadepost verrekenen, namelijk de kosten van armaturen die de aannemer heeft weggegooid. Verrekening van kosten voor herstel van gebreken is niet mogelijk omdat de aannemer niet in de gelegenheid is gesteld deze te herstellen. De lekkageschade is onvoldoende onderbouwd om verrekening toe te staan.

De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van € 3.311,03 toe, verminderd met de schade voor armaturen, en kent buitengerechtelijke incassokosten van € 487,38 toe. De opdrachtgever moet ook wettelijke rente over het openstaande bedrag en de proceskosten betalen. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De opdrachtgever moet het grootste deel van de factuur betalen, verminderd met schade voor armaturen, en de incassokosten en wettelijke rente voldoen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11852972 \ CV EXPL 25-4197
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiser] H.O.D.N. [bedrijf 2],
wonend in [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: COLLECT 1 B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonend in [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

[eiser] heeft werkzaamheden uitgevoerd in het nieuwe appartement van [gedaagde] . De laatste factuur hiervoor wil [gedaagde] niet volledig betalen, omdat [eiser] het werk volgens haar niet goed en niet volledig heeft gemaakt. Kosten die zij in verband daarmee moet maken, wil zij aftrekken van de rekening. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] heeft gewerkt zoals overeengekomen en dat [gedaagde] hiervoor moet betalen. Zij kan een klein bedrag verrekenen. Hieronder legt de kantonrechter dit uit.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 23 februari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.794,41,
te vermeerderen met rente en kosten en onder aftrek van een bedrag van € 170,61 dat is betaald na aanmaning.
3.2.
Daarvoor voert [eiser] aan dat hij met [gedaagde] een overeenkomst tot aanneming van werk heeft gesloten. Per e-mailbericht van 16 februari 2025 heeft hij de afspraken met haar bevestigd en op basis daarvan heeft hij werkzaamheden uitgevoerd en materialen geleverd. De twee facturen die hij [gedaagde] hiervoor op 16 april 2025 heeft gestuurd, heeft zij ten onrechte niet betaald. Daarom is zij ook wettelijke rente verschuldigd en heeft hij bovendien een incassobureau moeten inschakelen. [eiser] wil ook vergoeding van de kosten die hij daarvoor heeft moeten maken.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot grotendeels afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
3.4.
Daarvoor voert [gedaagde] aan dat op de factuur niet staat aangegeven welke werkzaamheden zijn uitgevoerd en dat niet duidelijk is of en welke materialen zijn geleverd. Daarnaast voldeed de geleverde kwaliteit niet aan haar verwachting, heeft [eiser] niet alles uitgevoerd wat was afgesproken en heeft hij bovendien schade veroorzaakt. De gevorderde rente is niet terecht, omdat de vertraging komt door de opstelling van [eiser] en het door hem ingeschakelde incassobureau. Had [eiser] zich constructief opgesteld, dan was het niet nodig geweest om het incassobureau in te schakelen en was ook de procedure niet nodig geweest. [gedaagde] is bereid om onder aftrek van haar kosten een bedrag van € 1.850,00 aan hoofdsom te betalen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vast staat dat [gedaagde] contact heeft opgenomen met [eiser] om diverse werkzaamheden uit te voeren in haar nieuwe appartement. [gedaagde] had een werklijst opgesteld met de werkzaamheden die volgens haar nodig waren. [eiser] heeft aan de hand daarvan een begroting gemaakt. [gedaagde] is hiermee niet akkoord gegaan. Vervolgens hebben partijen andere afspraken gemaakt, die [eiser] heeft bevestigd in een e-mailbericht van 16 februari 2025. In dit bericht schrijft hij:
“We hebben een deal afgesproken, die ik hier weergeef:
Ik ga werken in het appartement in [plaats 2] voor €37,00 per uur exclusief btw.
Dit is €10,00 minder dan mijn normale tarief.
Voor het reizen, elke dag minstens twee uur tijd plus de kosten voor Diesel, betaal je een vergoeding van €21,50 per dag. Deze reisvergoeding houden we buiten de administratie, die betaal je me contant.
De progressie in het werk zullen we goed monitoren zodat je weet wat we in de tijd tot 9 april wel en niet gedaan kunnen krijgen.”
[eiser] heeft werkzaamheden uitgevoerd en facturen gestuurd. [gedaagde] heeft erkend dat zij van die facturen [factuur 1] nog moest betalen en heeft het bedrag hiervan, € 170,61, na aanmaning betaald. Tegen betaling van Factuur [factuur 2] voor een bedrag van € 3.623,80, Werk [eiser] appartement Zwvw [huisnummer] woonklaar, heeft zij verweer gevoerd.
De factuur was voldoende gespecificeerd
4.2.
Het eerste verweer van [gedaagde] is dat Factuur [factuur 2] volgens haar onvoldoende gespecificeerd is. [eiser] wilde geen bonnetjes overleggen van gebruikt materiaal en hij heeft niet minimaal eens per twee weken verslag gedaan van de werkzaamheden, terwijl dat wel was afgesproken volgens [gedaagde] .
4.3.
Vast staat dat [eiser] in zijn specificatie bij Factuur [factuur 2] het te betalen bedrag heeft gespecificeerd naar een bedrag aan materiaal en een bedrag aan arbeid. Daarbij heeft hij per dag aangegeven hoeveel uren hij heeft gewerkt.
materiaal
4.4.
Vast staat dat [gedaagde] graag bonnen wilde van het materiaal dat [eiser] gebruikte. [gedaagde] heeft echter niet onderbouwd waaruit blijkt dat partijen ook hebben afgesproken dat [eiser] de bonnen moest overleggen. [eiser] heeft deze afspraak betwist en aangegeven dat hij dit juist niet wilde. In zijn e-mailbericht van 9 maart 2025 heeft [eiser] dit aan [gedaagde] uitdrukkelijk aangegeven (al kon zij deze wel inzien als ze dat wilde). [eiser] schrijft:
“Bonnen direct na aankoop naar jou opsturen en dan per aankoop afrekenen ga ik niet doen. Ik zal graag en met grote inzet verder werken aan je appartement, maar als dit voor jou een voorwaarde is dan kunnen we niet verder samenwerken. […] Ik kom hoe dan ook morgen naar [plaats 2] . Hopelijk om verder te werken. En anders om mijn gereedschap op te halen.”In haar reactie heeft [gedaagde] onder andere geschreven:
“Ik will geen ruzie met jou, je weet dat ik blij ben met je werk en dat ik will dat je gaat door met werken in mijn apartment.”[eiser] heeft vervolgens ook weer werkzaamheden uitgevoerd. Op grond hiervan is de kantonrechter van oordeel dat partijen geen specifieke afspraken hebben gemaakt over specificatie van materiaal, zodat de specificatie van de factuur op dit punt voldoet.
arbeid
4.5.
[gedaagde] heeft het aantal in rekening gebrachte uren niet betwist. Hoewel in de specificatie niet staat aangegeven welke werkzaamheden [eiser] heeft uitgevoerd, is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat partijen vaak, in ieder geval meerdere keren per week, overleg hadden over de werkzaamheden en dat [gedaagde] ook regelmatig in het appartement was. Op grond daarvan is de kantonrechter van oordeel dat het voor [gedaagde] voldoende duidelijk was welke werkzaamheden [eiser] had uitgevoerd, zodat de specificatie van de factuur ook op dat punt voldoet.
4.6.
Uitgangspunt is daarmee dat [gedaagde] de factuur in principe moet betalen.
4.7.
[gedaagde] heeft echter als tweede verweer gevoerd dat zij schade heeft geleden en deze wil aftrekken van het door haar te betalen factuurbedrag. In verband daarmee moet de kantonrechter beoordelen of [gedaagde] schade heeft geleden waarvoor [eiser] aansprakelijk is en zo ja, of deze verrekend mag worden.
[gedaagde] kan niet verrekenen in verband met gebreken
4.8.
[gedaagde] beroept zich enerzijds op verrekening met kosten voor werkzaamheden die [eiser] niet goed en niet volledig heeft uitgevoerd. Op 25 mei 2025 heeft [gedaagde] aan [eiser] hierover een e-mailbericht gestuurd. Daarin schrijft zij onder andere:
“Ik constateer dat veel zaken óf niet, óf niet volledig, óf verkeerd zijn uitgevoerd.”In reactie op de incassobrief van de gemachtigde van [eiser] heeft zij op 4 juni 2025 onder meer geschreven:
“‘ [bedrijf 2] ” is in gebreke gebleven met de uitvoering van de afgesproken werkzaamheden. Dit heb ik hem op 25 april 2025 per e-mail laten weten (zie bijlage). Sinds die dag heb ik tot op heden geen enkele reactie ontvangen.”Bij haar verweer heeft zij een bericht van het [bedrijf 1] overgelegd, dat op verzoek van [gedaagde] de werkzaamheden heeft beoordeeld.
[eiser] heeft betwist dat het werk niet af was. Ook betwist hij dat er gebreken zijn. Over de schakelaar in de keuken heeft hij tijdens de mondelinge behandeling nog toegelicht dat het ging om een bestaande schakelaar die [gedaagde] graag op een andere plek wilde, omdat de keukenindeling anders werd dan zij had gedacht. Hij heeft haar geholpen met een alternatief.
4.9.
Uit de opdrachtbevestiging blijkt duidelijk dat [eiser] werkzaamheden zou uitvoeren, maar dat niet zeker was dat hij alles van de werklijst van [gedaagde] gedaan zou krijgen. Omdat partijen niet hebben afgesproken dat de lijst helemaal afgewerkt moest worden voor een bepaald bedrag binnen een bepaalde tijd, is [eiser] niet tekort is geschoten voor zover [gedaagde] klaagt dat het werk niet af is.
4.10.
Los van de vraag of daadwerkelijk sprake was van gebreken, staat vast dat [gedaagde] [eiser] niet in de gelegenheid heeft gesteld om gebreken te herstellen. In plaats daarvan heeft zij aangegeven dat zij de kosten van herstel wil aftrekken van het factuurbedrag. Daaruit begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde] geen nakoming wilde maar een vervangende schadevergoeding (de kosten van herstel).
Uit de wet [1] volgt, voor zover hier relevant, dat een vervangende schadevergoeding kan worden gevorderd als de schuldenaar ( [eiser] ) de gelegenheid heeft gekregen om de gebreken te herstellen, maar van die gelegenheid geen (tijdig) gebruik heeft gemaakt. [gedaagde] heeft [eiser] weliswaar geïnformeerd over gebreken, maar zij heeft hem niet aangegeven om welke gebreken het ging en zij heeft hem ook niet de gelegenheid gegeven om gebreken te herstellen. In haar e-mailbericht van 25 april 2025 heeft zij namelijk na de hierboven geciteerde passage geschreven:
“Gezien voorgaande en alle problemen die ik nu ondervind, heb ik geen vertrouwen in een goede afhandeling van de werkzaamheden. Ik ben genoodzaakt om professionals in te schakelen om alles volledig, netjes maar vooral ook veilig, afgerond te krijgen. Deze kosten zal ik dan in mindering brengen op de nog openstaande factuur.”Ook in haar e-mailbericht van 4 juni aan de gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde] dit niet gedaan. [gedaagde] heeft dus direct kosten gevorderd in plaats van nakoming (herstel van de gebreken). Daarmee heeft zij niet voldaan aan de eisen uit de wet en kan zij geen aanspraak maken op een vervangende schadevergoeding. Dat betekent ook dat zij eventuele kosten van herstel van mogelijke gebreken niet kan verrekenen met het factuurbedrag.
[gedaagde] kan alleen de schade in verband met de armaturen verrekenen
4.11.
[gedaagde] beroept zich anderzijds op verrekening met gevolgschade waarvoor [eiser] volgens haar aansprakelijk is. In haar e-mailbericht van 25 april 2025 heeft zij hierover geschreven:
“Daarnaast heb ik schade als gevolg van de lekkage. Dit resulteert in hoge extra kosten om alles te laten herstellen. Hetzelfde geldt voor de armaturen die jij hebt weggegooid. Deze zijn niet meer te verkrijgen en daardoor moeten geheel nieuwe inbouw stopcontacten aangeschaft en geplaatst worden. Ook dit wordt een behoorlijke extra kostenpost. […] Deze kosten zal ik dan in mindering brengen op de nog openstaande factuur […]”De schade in verband met de lekkage heeft [gedaagde] begroot op een bedrag van € 2.314,69. De schade in verband met de armaturen heeft zij begroot op een bedrag van € 312,77.
armaturen
4.12.
[eiser] heeft erkend dat hij de armaturen niet weg had moeten gooien. Weliswaar heeft hij nieuwe armaturen gekocht, maar hij heeft deze niet gemonteerd en ook niet aan [gedaagde] gegeven. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] aansprakelijk is voor de schade die [gedaagde] als gevolg daarvan heeft geleden. [eiser] heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van deze schade, zodat in verband hiermee een bedrag van € 312,77 verrekend kan worden met het factuurbedrag.
lekkage
4.13.
[eiser] heeft erkend dat er een lekkage is opgetreden als gevolg van zijn werkzaamheden. Daarbij heeft hij toegelicht dat hij een leiding had afgedopt met een dopje dat ondeugdelijk bleek. Hierdoor zijn er meerdere liters water uit deze leiding gestroomd, voordat hij het lek kon dichtmaken. Volgens [eiser] heeft hij na het herstel van de oorzaak van de lekkage het water opgedweild. De muur heeft hij vervolgens enkele dagen laten drogen, waarna hij het gat in de muur ter plaatse van de herstelde leiding weer heeft dichtgemaakt. [eiser] betwist echter dat er nu weer of nog steeds een lekkage in de muur is als gevolg hiervan. Ook betwist hij dat er (nog) schade is, althans dat deze het gevolg is van het ondeugdelijke dopje. Daarbij heeft hij aangevoerd dat hij ook geen gelegenheid meer heeft gehad om eventuele schade te bekijken. Wel heeft hij in verband met de tegenslagen bij de keukenmontage en de lekkage in de werkkamer als tegemoetkoming twee werkdagen in mindering gebracht op de in rekening te brengen arbeid.
4.14.
Hiermee staat vast dat er een lekkage is geweest die aan [eiser] is toe te rekenen [verder: de eerste lekkage]. Voor de schade die hierdoor is veroorzaakt, is [eiser] aansprakelijk op grond van artikel 6:74 BW Pro (Burgerlijk Wetboek).
[gedaagde] heeft niet betwist dat [eiser] in verband met deze lekkage herstel heeft uitgevoerd. [eiser] heeft betwist dat na zijn herstel nog sprake was van lekkage. Dat betekent dat [gedaagde] meer moest stellen en onderbouwen dat het herstel niet goed was gedaan en de lekkage dus nog niet was opgelost. Of dat sprake is van een nieuwe lekkage waarvoor [eiser] ook aansprakelijk is. Dat heeft [gedaagde] echter niet gedaan. Dat blijkt ook niet uit haar foto’s. De enkele opmerking van [bedrijf 1] dat hij een lekkage in de muur heeft geconstateerd, zegt ook niets over de oorzaak. Dat betekent dat de kantonrechter niet kan vaststellen dat op dit moment sprake is van een lekkage waarvoor [eiser] aansprakelijk is.
Daarnaast blijkt niet dat de gestelde schade aan behang, plinten en laminaat het gevolg is van de eerste lekkage. [gedaagde] heeft onvoldoende gesteld waaruit het causale verband tussen de fout van [eiser] (het niet goed afdoppen van de leiding) en deze schades volgt.
Dat betekent dat [gedaagde] op dit punt niet, althans onvoldoende heeft gesteld, zodat de kantonrechter ook aan dit deel van het verrekenverweer voorbij gaat.
4.15.
Op grond hiervan is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] het bedrag van Factuur [factuur 2] van € 3.623,80 minus een bedrag van € 312,77 aan schade voor de armaturen moet betalen, zodat een bedrag van € 3.311,03 zal worden toegewezen.
[gedaagde] moet een deel van de buitengerechtelijke kosten betalen
4.16.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat deze onterecht zijn, omdat zij zich vanaf het begin constructief heeft opgesteld door aan te geven te willen betalen na ontvangst van een specificatie.
Uit de e-mailberichten van [gedaagde] volgt echter dat zij niet alleen een specificatie wilde, maar ook een vergoeding van door haar gemaakte of nog te maken kosten. De kantonrechter gaat daarom aan dit verweer voorbij.
4.17.
De vordering moet verder worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde vergoeding komt op grond van artikel 6:96 lid 6 BW Pro niet volledig voor toewijzing in aanmerking, omdat [gedaagde] de vordering gedeeltelijk heeft voldaan binnen de in de aanmaning van 3 juni 2025 gestelde betalingstermijn van 14 dagen. Zij heeft binnen die termijn namelijk het bedrag van € 170,61 van [factuur 1] betaald. Daarom komen alleen incassokosten over Factuur [factuur 2] voor vergoeding in aanmerking, zodat de kantonrechter een bedrag van € 487,38 aan buitengerechtelijke kosten zal toewijzen.
[gedaagde] moet wettelijke rente over één factuur betalen
4.18.
[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van wettelijke rente over beide factuurbedragen. [gedaagde] betwist dat zij wettelijke rente moet betalen, omdat [eiser] dan wel het incassobureau zich niet constructief heeft opgesteld.
4.19.
Op grond van artikel 6:119 BW Pro is een partij wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van verzuim. Het verzuim van [gedaagde] is ontstaan op het moment dat zij nog niet had betaald, terwijl de vervaldatum was verstreken.
Op de facturen is een vervaldatum opgenomen van 30 april 2025. Vast staat dat [gedaagde] de facturen op dat moment niet had betaald. Daarmee is uitgangspunt dat zij vanaf 1 mei 2025 de wettelijke rente moet betalen.
De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] het niet redelijk vindt dat wettelijke rente wordt gevorderd, omdat [eiser] dan wel zijn gemachtigde de afhandeling volgens haar hebben vertraagd. Hoewel de kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] de zaak graag sneller en zonder procedure had willen afwikkelen, blijkt niet dat [eiser] , dan wel zijn gemachtigde, zodanig lang heeft gewacht met het ondernemen van actie dat daarom op grond van de redelijkheid en billijkheid geen of minder rente voor vergoeding in aanmerking komt.
Factuur [factuur 2]
4.20.
Vast staat dat [gedaagde] van Factuur [factuur 2] na verrekening nog een bedrag moet betalen van € 3.311,03. Dat betekent dat de rente over dit bedrag wordt toegewezen vanaf 1 mei 2025 tot het moment dat zij het bedrag volledig betaald heeft.
[factuur 1]
4.21.
[gedaagde] heeft betwist dat zij deze factuur te laat heeft betaald. Volgens haar was afgesproken dat zij het bedrag voor de montage van de koelvriescombinatie pas hoefde te betalen aan [eiser] nadat Bruynzeel dit bedrag aan haar had betaald, zoals zij heeft gedaan.
[eiser] heeft deze afspraak onvoldoende gemotiveerd betwist. Daarmee staat vast dat deze afspraak is gemaakt en dat [gedaagde] geen wettelijke rente verschuldigd is over het bedrag van deze factuur.
[eiser] heeft nog aangevoerd dat het bedrag van € 170,61 in mindering strekt op de incassokosten en niet op de hoofdsom. Omdat dit bedrag tijdig is betaald, gaat deze stelling niet op.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.22.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.097,78
4.23.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.311,03, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 1 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 487,38 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.097,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Speekenbrink en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:74 van Pro het Burgerlijk Wetboek