ECLI:NL:RBZWB:2026:2433
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang derdelander
Verzoeker, een derdelander uit Oekraïne met de Marokkaanse nationaliteit, verbleef in een opvanglocatie en kreeg een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie. Dit besluit verplichtte hem binnen vier weken na 4 september 2025 terug te keren naar zijn land van herkomst. Het beroep tegen dit besluit werd op 26 februari 2026 ongegrond verklaard.
Op 9 maart 2026 ontving verzoeker een brief waarin werd meegedeeld dat hij de opvang uiterlijk op 7 april 2026 moest verlaten. Verzoeker maakte bezwaar en stelde dat er nog geen definitief besluit over zijn terugkeer was genomen en dat vertrek tot dakloosheid en disproportionele gevolgen zou leiden. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de brief van 9 maart 2026 geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht was, omdat deze geen wijziging van rechten en plichten inhield. Het recht op opvang was immers al vervallen door het terugkeerbesluit. Wel is er toegang tot de bestuursrechter voor de wijze van beëindiging van de opvang, maar de bezwaren van verzoeker betroffen de beëindiging zelf, die niet in deze procedure aan de orde kon komen.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens werd het verzoek om vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht toegewezen omdat verzoeker geen inkomen had. De uitspraak werd mondeling gedaan op 1 april 2026 in Breda door voorzieningenrechter I.M. Josten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de opvang wordt afgewezen.