Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2437

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/02/432445 / FA RK 25-1034
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ouderschapsplan ondanks betwisting vrouw over druk bij ondertekening

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een geschil over het hoofdverblijf en de zorg- en contactregeling van twee minderjarige kinderen. De man verzocht om het hoofdverblijf bij hem te bepalen en een co-ouderschapsregeling van een week per ouder vast te stellen. De vrouw was het hier niet mee eens en wilde het hoofdverblijf bij haar laten bepalen.

Beide ouders hadden een ouderschapsplan ondertekend, maar de vrouw stelde ter zitting dat zij zich onder druk gezet voelde om te tekenen en dat zij niet volledig achter het plan stond. De rechtbank oordeelde echter dat deze stelling onvoldoende was onderbouwd en dat het ouderschapsplan rechtsgeldig tot stand was gekomen, mede omdat beide partijen het hadden ondertekend en de vrouw het plan later met haar advocaat had besproken.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde aan te houden vanwege lopende hulpverlening en interventies, maar de rechtbank vond het in het belang van de kinderen om het ouderschapsplan nu vast te leggen. De zorgregeling en hoofdverblijf worden conform het plan vastgesteld, met de mogelijkheid tot aanpassing indien nodig binnen de ondertoezichtstelling. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het ouderschapsplan wordt bekrachtigd en het hoofdverblijf en de zorgregeling worden vastgesteld conform het plan.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/432445 / FA RK 25-1034
datum uitspraak: 15 januari 2026
nadere beschikking over het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M.J.E.M. Edelmann te Breda ,
tegen
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. D.C.M. Smeulders-Martens te Raamsdonksveer,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015, hierna: [minderjarige 1] ,
-
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016, hierna: [minderjarige 2] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de
Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het nadere procesverloop

1.1.
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van 17 juni 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- het raadsrapport van 27 oktober 2025;
- het F9-formulier van 7 november 2025 van mr. Smeulders-Martens;
- het bericht van 26 november 2025 van mr. Edelmann;
- het F9-formulier met als bijlage het ondertekende ouderschapsplan van 9 januari 2026 van mr. Smeulders-Martens;
- het F9-formulier van 12 januari 2026 van mr. Edelmann.
1.2.
De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 15 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen en hun advocaten. Tevens was aanwezig een medewerker namens de Raad.
1.3.
Gelet op de nauwe samenhang van de onderhavige door partijen ingediende verzoeken met het door de Raad ingediende verzoek in de zaak C/02/441234 / JE RK 25-1917, zijn deze verzoeken gezamenlijk mondeling behandeld. In dat kader is bij de mondelinge behandeling tevens verschenen een medewerkster namens de GI. In beide zaken wordt een afzonderlijke beschikking afgegeven.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De nadere feiten

2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 17 juni 2025 heeft de rechtbank de Raad verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.5. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren. De rechtbank heeft het rapport op 27 oktober 2025 van de Raad ontvangen.

3.De verzoeken

3.1
De man verzoekt:
- te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats krijgen bij de man;
- te bepalen dat een zorg- en contactregeling wordt vastgelegd, bestaande uit een week bij de ene ouder en een week bij de andere ouder.
3.2.
De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.
3.3.
De vrouw verzoekt zelfstandig:
- de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij haar te bepalen.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Inhoudelijke beoordeling
4.1.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
4.2.
De rechtbank heeft met partijen en hun advocaten en de Raad gesproken over het door partijen bij de GezinsManager ondertekende ouderschapsplan. Partijen hebben de rechtbank voorafgaande aan de mondelinge behandeling bericht dat zij tot een ouderschapsplan zijn gekomen en beide partijen gaven aan dat de zaak verder schriftelijk kon worden afgedaan. De rechtbank heeft echter besloten om onderhavige verzoeken toch gezamenlijk met het verzoek van de Raad ter zitting te behandelen teneinde hierover met partijen van gedachten te kunnen wisselen.
4.3.
Ter zitting is door de advocaat van de vrouw naar voren gebracht dat de vrouw de gesprekken met de GezinsManager over het ouderschapsplan als moeizaam heeft ervaren. Zij voelde veel druk om in te stemmen met co-ouderschap. Zij heeft getekend maar staat daar eigenlijk niet volledig achter. De advocaten van partijen zijn ook niet betrokken geweest bij de totstandkoming van het ouderschapsplan. De advocaat van de vrouw bepleit daarom dat het ouderschapsplan nog niet definitief kan worden vastgesteld. Dat betekent dat er vooralsnog niets verandert aan de afspraken tussen partijen. Daarentegen bepleit de advocaat van de man dat de onderlinge regelingen uit het ouderschapsplan wel kunnen worden vastgesteld, de vrouw heeft het ouderschapsplan immers willens en wetens ondertekend. De Raad heeft de rechtbank vervolgens geadviseerd om de verzoeken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en het hoofdverblijf aan te houden in afwachting van de uitkomsten van de hulpverlening vanuit de GezinsManager en de interventies vanuit de GI in het kader van de ondertoezichtstelling. Daartoe heeft de Raad naar voren gebracht dat hoewel de ouders een co-ouderschapsregeling zijn overeengekomen de daarvoor benodigde samenwerking ontbreekt. Daarnaast hebben de minderjarigen aangegeven geen co-ouderschapsregeling te willen. Tot slot heeft de GI aangegeven dat het voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling geen probleem is als het overeengekomen ouderschapsplan wordt vastgesteld.
4.4.
De rechtbank begrijpt dat het voor partijen, en zo blijkt met name voor de vrouw ingewikkeld is dat het ouderschapsplan tot stand is gekomen zonder de betrokkenheid van hun advocaten. Echter, dit is wel een keuze die zij zelf heeft gemaakt. Datzelfde geldt voor het feit dat beiden partijen het ouderschapsplan hebben ondertekend. Dat de vrouw nu stelt dat zij onder druk is gezet om in te stemmen met ouderschapsplan waarin onder andere afspraken over co-ouderschap en het hoofdverblijf zijn gemaakt, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende nader onderbouwd. Voor de rechtbank is niet duidelijk wat dit gevoel heeft veroorzaakt of waar het gevoel vandaan komt. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank een terzijdelegging van het door beiden partijen ondertekende ouderschapsplan dan ook niet rechtvaardigen. Bovendien heeft de vrouw het ouderschapsplan op enig moment na ondertekening met haar advocaat besproken, de advocaat van de vrouw heeft het ouderschapsplan immers op 9 januari 2026 aan de rechtbank doen toekomen met daarbij het bericht dat wat de vrouw betreft alle discussies over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling zijn afgerond.
4.5.
Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat het voor partijen en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het beste is als de onderlinge regelingen uit het ouderschapsplan, waaronder de co-ouderschapsregeling en het hoofdverblijf wel nu worden vastgelegd. Daarmee wordt de situatie zoals die nu is bestendigd, partijen geven immers al enige tijd uitvoering aan de regelingen uit het ouderschapsplan. In het kader van de ondertoezichtstelling zal onder regie van de GI worden onderzocht wat uiteindelijk in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is, welke zorgregeling hierbij past en in hoeverre een co-ouderschapsregeling uitvoerbaar is. Indien in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk, kunnen dan nog wijzigingen worden aangebracht in de regelingen.
4.6.
Dit betekent dat als na te melden zal worden beslist.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.7.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Proceskosten
4.8.
Nu partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en het geschil betrekking heeft op hun beider kinderen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt dat overeenkomstig het aangehechte ouderschapsplan [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf heeft bij de vader en dat [minderjarige 2] zijn hoofdverblijf heeft bij de moeder;
5.2.
bepaalt dat de zorgregeling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt vastgesteld overeenkomstig het aangehechte ouderschapsplan;
5.3.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 2 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.