De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 2 maart 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor betrokkene, geboren in 1977 in Nigeria. Betrokkene verzette zich tegen de machtiging en stelde dat zij niet ziek is en dat de GGZ haar positie en de zorgmachtiging misbruikt. Zij wilde geen medicatie gebruiken vanwege bijwerkingen en gaf aan geen problemen te hebben in haar buurt.
De psychiater verklaarde dat betrokkene lijdt aan een schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen en dat het innemen van depotmedicatie verbetering bracht. Betrokkene weigerde echter soms medicatie, wat leidde tot ziekenhuisopnames onder politiebegeleiding. De advocaat van betrokkene voerde aan dat de diagnose onvoldoende rekening houdt met haar culturele achtergrond en dat het ernstig nadeel mager onderbouwd is.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene daadwerkelijk lijdt aan een psychische stoornis en dat de medische verklaring en het zorgplan zorgvuldig zijn opgesteld. Er is sprake van ernstig nadeel, waaronder verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en gevaar voor de veiligheid. Vrijwillige zorg is niet mogelijk omdat betrokkene medicatie weigert en geen vertrouwen heeft in de GGZ. Daarom is verplichte zorg noodzakelijk.
De rechtbank wees de zorgmachtiging toe voor de duur van twaalf maanden, inclusief medicatietoediening, medische controles, bewegingsbeperkingen en opname in een accommodatie. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven en de toegewezen zorgvormen zijn evenredig en effectief. De beschikking is op 2 maart 2026 mondeling gegeven en op 16 maart 2026 schriftelijk vastgesteld.