Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2439

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/02/443095 / JE RK 25-2254
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen wegens ernstige bedreiging sociaal-emotionele ontwikkeling

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om drie minderjarige kinderen onder toezicht te stellen vanwege ernstige zorgen over hun sociaal-emotionele ontwikkeling en het ontbreken van constructieve samenwerking tussen de ouders. De kinderen zijn geboren in 2011, 2013 en 2015 en wonen deels bij vader en deels bij moeder, met een co-ouderschapsregeling. Sinds januari 2026 woont de oudste volledig bij de moeder en is het contact met de vader verbroken.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werden ook de kinderen gehoord. De Raad en de gecertificeerde instelling stelden dat de spanningen tussen de ouders leiden tot gedragsproblemen en schoolverzuim bij de kinderen, met name bij de oudste. De ouders erkennen de problemen en steunen het verzoek tot ondertoezichtstelling, waarbij de vader het herstel van contact met de oudste kind benadrukt.

De kinderrechter oordeelde dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan, omdat de kinderen ernstig worden bedreigd in hun ontwikkeling door de conflicten tussen de ouders. De maatregel wordt voor de duur van een jaar opgelegd met als doelen het verbeteren van de samenwerking tussen ouders, het in kaart brengen van de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen en het herstellen van het contact tussen vader en oudste kind. De beschikking is direct uitvoerbaar en er is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De kinderrechter stelt drie minderjarige kinderen onder toezicht voor de duur van een jaar wegens ernstige bedreiging van hun sociaal-emotionele ontwikkeling door conflicten tussen ouders.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443095 / JE RK 25-2254
Datum uitspraak: 2 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. C.J.M. van Gent te Zaltbommel,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. J.F. van Drenth te Gorinchem.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie ‘s-Hertogenbosch, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordiger van de GI (via beeldbellen).
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hierover op 23 februari 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
Deze zaak hangt nauw samen met de zaak van de ouders over het hoofdverblijf en de regeling betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met het kenmerk C/02/415675 / FA RK 23-5205. Daarom heeft de kinderrechter de zaken tegelijk mondeling behandeld. De beslissing in de andere zaak staat in een aparte beschikking.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geboren.
2.2.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vader. [minderjarige 2] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder. Er bestaat een co-ouderschapsregeling voor alle drie de kinderen. Echter verblijft [minderjarige 1] sinds 9 januari 2026 volledig bij de moeder. Zijn vader heeft [minderjarige 1] sindsdien niet meer gezien.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de ouders niet in staat zijn om voor de kinderen constructief met elkaar samen te werken. Qua communicatie, opvoedstijl, beleving en visie liggen de ouders ver uiteen. Daarbij bestaan er met name over het gedrag van [minderjarige 1] grote zorgen. Hij lijkt tussen zijn ouders klem te zitten, liegt veel en verzuimt veelvuldig van school. Zeer onlangs is het contact tussen de vader en [minderjarige 1] geheel verbroken geraakt. De Raad acht het van belang dat dat contact wordt hersteld. Hoewel de ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ogenschijnlijk minder op de voorgrond staat, zijn er ook zorgen over hun gedrag en over hun sociaal-emotionele ontwikkeling. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] worden ook ouder en maken onderdeel uit van hetzelfde gezinssysteem, waardoor zij eveneens het risico lopen meer klem te geraken tussen hun ouders. Ook voor wat betreft [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geeft de school aan zich zorgen te maken over hun ontwikkeling. Naar de mening van de Raad komt het gedrag dat de kinderen laten zien voort uit hoe de ouders zich ten opzichte van elkaar verhouden en zullen de ouders daarom met elkaar aan de slag moeten om de situatie voor de kinderen te verbeteren. Een traject bij [hulpverlening] heeft de ouders eerder niet nader tot elkaar kunnen brengen. De Raad vindt het passend dat binnen een ondertoezichtstelling ingezet gaat worden op parallel-solo-ouderschap. Daarnaast acht de Raad de inzet van een kindbehartiger voor alle drie de kinderen aangewezen.
4.2.
De vader heeft tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling geen bezwaar. De vader ziet in dat indien er tussen de ouders daardoor meer rust zal ontstaan, dat de kinderen ten goede zal komen. Dit neemt volgens de vader niet weg dat hij het van groot belang acht, dat met name ten aanzien van [minderjarige 1] tevens onderzocht wordt of er bij hem wellicht sprake is van kindeigen problematiek, vanwege het vreemde/bizarre gedrag dat [minderjarige 1] soms laat zien. Daarnaast acht de vader het van het grootste belang dat het contact tussen hem en [minderjarige 1] zo spoedig mogelijk wordt hersteld. Volgens de vader is dat contact verbroken geraakt, nadat hij [minderjarige 1] aansprak op diens schoolverzuim. Daarbij betreurt de vader dat [minderjarige 1] op school onder zijn daadwerkelijke kunnen presteert.
4.3.
De moeder verklaart dat [minderjarige 1] bang is dat zijn vader nog boos op hem is en dat hij daarom het contact met hem momenteel afhoudt. De via Halt aan [minderjarige 1] opgelegde straf heeft hij onlangs met goed gevolg afgerond. Sindsdien heeft [minderjarige 1] niet meer gespijbeld. De verwachting is dat [minderjarige 1] dit schooljaar nog over zal gaan. Momenteel ervaart de moeder met [minderjarige 1] geen problemen. Dit neemt volgens de moeder niet weg dat [minderjarige 1] zich in een loyaliteitsconflict bevindt en hij klem zit in de strijd tussen zijn ouders. Ook over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] maakt de moeder zich wat dat betreft zorgen. Zo spijbelt ook [minderjarige 3] van school en vertelt [minderjarige 2] bij ieder van de ouders haar eigen, maar ander, verhaal. Dat alles zo zijnde staat de moeder achter het verzoek tot ondertoezichtstelling. Naar de mening van de moeder zou de inzet van parallel-solo-ouderschap dan van meerwaarde kunnen zijn.
4.4.
De GI hoort de zorgen en sluit zich aan bij de visie en het standpunt van de Raad.
De GI merkt daarbij op dat, indien de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, de zaak in eerste instantie op de wachtlijst komt en door een instroomteam zal worden opgepakt. Deze kan alvast bij hulpverleners een aanvraag uitzetten voor de benodigde hulp. De GI verklaart geen uitlatingen te kunnen doen wanneer een vaste jeugdbeschermer kan worden aangesteld. De GI merkt nog op dat de ouders, nu zij in beginsel uitvoering geven aan een co-ouderschapsregeling, beter met elkaar moeten gaan samenwerken, omdat een dergelijke regeling van ouders veel afstemming en harmonie vraagt. Bij een ondertoezichtstelling zal daarom daar de focus op worden gelegd. Hiernaast acht de GI het zinvol dat bekeken wordt of bij [minderjarige 1] wellicht sprake is van kindeigen problematiek.
4.5.
[minderjarige 1] heeft tegen de kinderrechter verteld dat hij op dit moment bij zijn moeder woont, nadat zijn vader hem zo’n maand geleden het huis had uitgezet omdat hij van school had verzuimd. [minderjarige 1] ziet in dat hij wat dat betreft een verbeterpunt heeft. Naar de mening van [minderjarige 1] dienen ook zijn ouders zich te beteren door beter met elkaar te gaan communiceren en hebben zijn ouders daar wellicht hulp bij nodig. Indien zijn ouders weer beter met elkaar zullen kunnen samenwerken, zal dat [minderjarige 1] minder stress opleveren en zal hij beter kunnen slapen. Voor zichzelf vindt [minderjarige 1] hulp niet nodig. Volgens [minderjarige 1] heeft hij al geregeld met mensen moeten praten, maar hielp dat niet. Voor wat betreft het contact met zijn ouders wil [minderjarige 1] doordeweeks bij zijn moeder wonen en in weekenden bij zijn vader gaan verblijven.
4.6.
[minderjarige 2] heeft aan de kinderrechter laten weten dat haar ouders het bijna nergens met elkaar over eens zijn en dat zij veel ruzie met elkaar maken. [minderjarige 2] zou graag willen dat haar ouders weer beter met elkaar zullen kunnen samenwerken en zij niet langer via haar met elkaar zullen communiceren. Ook zou [minderjarige 2] graag willen dat [minderjarige 1] weer naar zijn vader zal gaan. Over de huidige co-ouderschapsregeling is [minderjarige 2] tevreden. [minderjarige 2] weet niet goed wat zij van een ondertoezichtstelling zou moeten vinden.
4.7.
[minderjarige 3] heeft aan de kinderrechter verteld dat zijn ouders veel ruzie met elkaar maken en dat hij graag wil dat dat stopt. Ook [minderjarige 3] is over de huidige co-ouderschapsregeling tevreden en weet niet zo goed wat hij van een ondertoezichtstelling zou moeten vinden. [minderjarige 3] heeft er in elk geval niet zo’n zin in om tegen hulpverleners telkens zijn verhaal te moeten gaan doen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter overweegt hierbij dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] klem zitten in de strijd tussen hun ouders, waardoor zij ernstig in hun sociaal-emotionele ontwikkeling worden bedreigd. Zo zijn de ouders niet in staat om voor de kinderen constructief met elkaar samen te werken. Qua communicatie, opvoedstijl, beleving en visie liggen de ouders ver uiteen. Gebleken is dat zowel [minderjarige 1] , [minderjarige 2] als [minderjarige 3] veel last hebben van de spanningen tussen hun ouders en dat deze spanningen zich bij hen ieder op hun eigen manier openbaren. Zo zou zich bij [minderjarige 1] vreemd/bizar gedrag openbaren en verzuimt hij veel van school. Mogelijk dat er bij [minderjarige 1] ook sprake is van kindeigen problematiek. Daarbij is een zorg dat het contact tussen [minderjarige 1] en zijn vader sinds enkele weken geheel verbroken is geraakt. Ter zitting zijn met ouders alvast afspraken gemaakt op welke wijze dit contact weer opgebouwd moet worden. De uitkomst moet worden afgewacht. Een grote zorg is dat intussen ook [minderjarige 3] schoolverzuim laat zien.
Hulpverlening binnen het vrijwillige kader, zoals vanuit [hulpverlening] , heeft de ernstig bedreigde ontwikkeling niet kunnen doen afwenden. Om die reden wordt een maatregel binnen een gedwongen kader – een ondertoezichtstelling – noodzakelijk geacht. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] daarom onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.2.
Als hulpverleningsdoelen worden aangemerkt:
- De ouders geven hun ouderschap na scheiding gelijkwaardig en constructief vorm;
- [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] begrijpen en verwerken de scheidingsprocedure, passend bij hun eigen ontwikkelingsniveau;
- Het welbevinden en, specifiek, de sociaal-emotionele ontwikkeling/emotie-regulatie van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is in kaart gebracht, alsook – indien nodig – passend hulp op ingezet;
- Er is zicht op het functioneren van [minderjarige 1] en wat hieraan ten grondslag ligt (zowel in de context van de scheiding en of er bij hem wellicht sprake is van kindeigen problematiek), ook hier wordt dan passende hulp op ingezet;
- [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben onbelast en structureel contact met beide ouders.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie ‘s-Hertogenbosch met ingang van 2 maart 2026 tot 2 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2026 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 10 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.