ECLI:NL:RBZWB:2026:244

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
C/02/436848 / FARK 25-3194
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Meyboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:12 BWArt. 1:251a BWArt. 1:253n BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning eenhoofdig ouderlijk gezag wegens verslavingsproblematiek en gebrekkige communicatie

De vrouw verzocht de rechtbank om het gezamenlijk ouderlijk gezag over hun minderjarige kind te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen. De man, die het kind heeft erkend, is niet verschenen op de zitting en heeft geen verweer gevoerd.

De rechtbank stelde vast dat de relatie tussen partijen in 2021 is geëindigd en dat het kind bij de vrouw woont. De man heeft een hardnekkige verslavingsproblematiek, die sinds november 2024 is verergerd, en heeft nauwelijks contact met het kind. De communicatie tussen partijen is vrijwel afwezig, waardoor gezamenlijk gezag niet effectief kan worden uitgeoefend.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het verzoek van de vrouw toe te wijzen. De rechtbank oordeelde dat de omstandigheden sinds het gezamenlijk gezag zijn gewijzigd en dat het in het belang van het kind is dat de vrouw het eenhoofdig gezag krijgt. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de kosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De rechtbank kent de vrouw het eenhoofdig gezag toe over de minderjarige en verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/436848 / FA RK 25-3194
Datum uitspraak: 13 januari 2026
Beschikking over gezag
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen de vrouw,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. B. Krijnen uit Waalwijk ,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen de man,
met een briefadres in de Basis Registratie Personen (BRP) ingeschreven in [plaats] ,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna te noemen [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 20 juni 2025 ontvangen verzoekschrift van de vrouw met 3 producties;
- de brief van 3 december 2025 van mr. Krijnen met 1 productie.
1.2
De zaak is met gesloten deuren behandeld op de zitting van 9 december 2025. Daarbij waren aanwezig de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en een medewerker namens de Raad. De man is, hoewel correct opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Deze relatie is in 2021 geëindigd. Uit de relatie van partijen is [minderjarige] geboren. [minderjarige] woont bij de vrouw.
2.2
De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Het gezamenlijk gezag is in het gezagsregister aangetekend.

3.De verzoeken

3.1
De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
I. te bepalen dat het ouderlijk gezag over [minderjarige] voortaan aan enkel de vrouw toekomt;
Subsidiair
II. te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw zal zijn;
III. althans dusdanige beslissingen te nemen die de rechtbank in het belang van [minderjarige] geraden acht.

4.De standpunten

4.1
Door de vrouw is aangevoerd dat partijen na hun uiteengaan in 2021 geen afspraken met elkaar hebben gemaakt over de verdeling van de zorg en opvoeding van [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de vrouw en de man zag hem af en toe. De vrouw regelde alles rondom [minderjarige] . Als de vrouw een handtekening van de man nodig had, zette de man deze wel, maar hij las nooit waarvoor de handtekening nodig was. Overleg tussen partijen over [minderjarige] heeft nooit plaatsgevonden. Gesteld kan dan ook worden dat de uitoefening van het gezamenlijk gezag over [minderjarige] tussen partijen niet goed verliep. Vanaf november 2024 is de situatie verder verslechterd. De man is, na twee keer eerder verslaafd te zijn geweest aan drugs, weer drugs gaan gebruiken. Zijn drugsgebruik gaat voor op het contact met [minderjarige] . De man ziet [minderjarige] al langere tijd nagenoeg niet, waarbij het meerdere keren is voorgekomen dat de man niet is verschenen op afgesproken contactmomenten met [minderjarige] . Laatst heeft er, na vier maanden van geen contact, een contactmoment tussen de man en [minderjarige] plaatsgevonden rondom Sinterklaas. De moeder van de man was hierbij aanwezig ter waarborging van de veiligheid van [minderjarige] . Het uitoefenen van het gezamenlijk gezag is in de huidige situatie niet langer houdbaar. Het contact tussen partijen is enorm verslechterd, waarbij nagenoeg geen communicatie meer tussen partijen plaatsvindt. Daarnaast is sprake van een minimaal contact tussen de man en [minderjarige] , waardoor de man geen verantwoordelijke beslissingen kan nemen die in het belang van [minderjarige] zijn. De man toont geen enkele interesse en betrokkenheid bij het leven van [minderjarige] , zoals bij school. Daarnaast is het voor de vrouw niet mogelijk met de man te overleggen over [minderjarige] vanwege zijn drugsgebruik, en al helemaal niet over belangrijke urgente beslissingen die met betrekking tot [minderjarige] genomen moeten worden. Tevens heeft de man meerdere keren geweigerd zijn medewerking te verlenen aan zaken die in het belang van [minderjarige] zijn. Zo geeft de man bijvoorbeeld geen toestemming aan de vrouw om samen met [minderjarige] op vakantie te gaan, tenzij de man zelf mee mag. Gelet op dit alles acht de vrouw het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat zij het eenhoofdig gezag over hem gaat uitoefenen. Voor zover haar verzoek tot eenhoofdig gezag wordt afgewezen, verzoekt de vrouw om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen. De hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is nooit vastgesteld. In de praktijk woont [minderjarige] bij de vrouw, en belangrijk is dat deze situatie wordt geformaliseerd.
4.2
De medewerker van de Raad heeft ter zitting geadviseerd om het primaire verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag toe te kennen. Het is de Raad vanuit een eerder verricht beschermingsonderzoek naar [minderjarige] in 2022 bekend dat bij de man sprake is van verslavingsproblematiek. Deze problematiek speelt al langere tijd en is hardnekkig. Gezien de hele beperkte beschikbaarheid van de man, is het aangewezen om de vrouw alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten. Tijdens het beschermingsonderzoek in 2022 kwam al naar voren dat de vrouw er alleen voor stond wat betreft te nemen beslissingen met betrekking tot de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Ook wanneer de vrouw alleen wordt belast met het ouderlijk gezag, is het belangrijk dat [minderjarige] , daar waar mogelijk, contact heeft met de man en/of diens familie. Dit in verband met zijn identiteitsontwikkeling.
4.3
De man is niet verschenen op de zitting en heeft ook geen verweerschrift ingediend.

5.De beoordeling

5.1
Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders het gezag gezamenlijk over hun minderjarig kind uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag worden beëindigd, indien de omstandigheden zijn gewijzigd. Ingevolge artikel 1:253n, tweede lid, van het BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, van het BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan dan ook worden beëindigd, indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.2
De rechtbank is op grond van de door de vrouw in haar verzoekschrift en ter zitting geschetste feiten en omstandigheden, die niet door de man zijn weersproken, van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige] zijn gewijzigd. De vrouw kan dan ook worden ontvangen in haar verzoek.
5.3
Zoals onweersproken gesteld door de vrouw, vindt er nagenoeg geen contact plaats tussen de man en [minderjarige] . Er geldt geen zorgregeling tussen de man en [minderjarige] en de contactmomenten tussen de man en [minderjarige] , die partijen vooraf met elkaar afspreken, worden regelmatig niet nagekomen door de man. Aan het laatste contactmoment rondom Sinterklaas is een periode van vier maanden vooraf gegaan waarin er geen sprake is geweest van contact tussen de man en [minderjarige] . Gezien het minimale contact tussen de man en [minderjarige] is het voor de man lastig om te kunnen beoordelen wat [minderjarige] nodig heeft. Bovendien is het voor gezamenlijk gezag nodig dat partijen met elkaar communiceren. Dit zodat zij beslissingen van enig belang over [minderjarige] in gezamenlijkheid kunnen nemen, dan wel tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond [minderjarige] kunnen voordoen, zodat [minderjarige] niet klem of verloren raakt tussen partijen. Voor de rechtbank is op basis van de voorliggende informatie gebleken dat de minimale noodzakelijke basis voor gezamenlijk gezag van partijen ontbreekt. Er vindt nagenoeg geen communicatie tussen partijen plaats, waarbij de man voor de vrouw lastig bereikbaar is. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering zal komen. De verslavingsproblematiek van de man lijkt van grote invloed te zijn op het contact tussen de man en [minderjarige] en de communicatie tussen partijen. De man heeft in het verleden meerdere periodes van verslaving gekend, waarbij sinds november 2024 wederom sprake is van (overmatig) drugsgebruik door de man. Gesteld kan dan ook worden dat de verslavings-problematiek bij de man hardnekkig is. Nu niet is gebleken dat de man op dit moment werkt aan zijn verslavingsproblematiek, is er vooralsnog geen verandering van de situatie te verwachten. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] anderszins noodzakelijk dat de vrouw, die de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] volledig op zich heeft genomen, voortaan alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt belast. De rechtbank gunt het de moeder dat zij zich geen zorgen hoeft te maken of er wel of geen beslissingen voor en/of over [minderjarige] genomen kunnen worden door de toestand waarin de man verkeert. Bovendien is gebleken dat het verkrijgen van toestemming voor vakanties samen met [minderjarige] , ook problemen met zich mee brengt. Het is van belang dat er rust komt en die rust kan er alleen komen wanneer de vrouw wordt belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] en zelf de beslissingen kan nemen die voor hem nodig zijn.
5.4
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, conform het advies van de Raad, het onweersproken primaire verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag toewijzen. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat deze meteen ingaat, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat. De rechtbank zal de griffier van de rechtbank de opdracht geven om een aantekening van de gezagsbeslissing te maken in het centraal gezagsregister, zoals de wet voorschrijft.
5.5
Het vorenstaande betekent verder dat de vrouw geen belang meer heeft bij haar subsidiaire verzoek om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen. Op grond van artikel 1:12, eerste lid, van het BW volgt een minderjarige de woonplaats van degene die het gezag over hem uitoefent. De vrouw beslist als enige gezaghebbende ouder over de verblijfplaats van [minderjarige] .
5.6
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat het gezag over de [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, voortaan aan de vrouw alleen toekomt;
6.2
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van de onder 6.1 genoemde beslissing in het gezagsregister;
6.3
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.4
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.