Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2446

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/02/442935 / JE RK 25-2221
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige wegens loyaliteitsconflict en ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om een minderjarige onder toezicht te stellen vanwege ernstige bedreiging van haar ontwikkeling. De minderjarige zit klem tussen haar moeder en grootouders, die een langdurig conflict hebben, wat leidt tot loyaliteitsproblemen en een negatief zelfbeeld bij het kind. De Raad signaleert ook zorgelijke uitingen van de minderjarige over zichzelf en mogelijke kindeigen problematiek.

De moeder erkent de slechte samenwerking met de grootmoeder en is bereid tot hulpverlening, maar wenst een kortere ondertoezichtstelling van zes maanden. De grootouders steunen het verzoek en uiten zorgen over de gezondheid en het welzijn van de minderjarige, waaronder fysieke klachten en sociaal isolement. De gecertificeerde instelling bevestigt de noodzaak van een ondertoezichtstelling en wijst op een wachtlijst die directe hulpverlening vertraagt.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan. Gezien de langdurige strijd tussen moeder en grootouders en de negatieve gevolgen voor de minderjarige, is een gedwongen maatregel noodzakelijk. De ondertoezichtstelling wordt voor de duur van een jaar uitgesproken, met als doelen het verbeteren van de samenwerking tussen moeder en grootouders, het bevorderen van het welzijn van de minderjarige en het onderzoeken van eventuele kindeigen problematiek.

De beschikking is direct uitvoerbaar verklaard en de minderjarige wordt onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht voor de duur van een jaar wegens ernstige bedreiging van haar ontwikkeling door het loyaliteitsconflict tussen moeder en grootouders.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/442935 / JE RK 25-2221
Datum uitspraak: 2 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J.A. van Essen te Breda,
[de grootmoeder] ,
hierna te noemen de grootmoeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. T.J.W. Noordegraaf-van Dijke.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg, hierna te noemen de GI.
[de grootvader],
hierna te noemen de grootvader,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. T.J.W. Noordegraaf-van Dijke te Tilburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 december 2025;
  • de aanbiedingsbrief van de Raad van 10 februari 2026 met 3 producties;
  • de brief van mr. Noordegraaf-van Dijke van 24 februari 2026;
  • de brief van mr. Van Essen van 27 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de grootmoeder met haar advocaat;
  • de grootvader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI (via beeldbellen).
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een briefje gestuurd naar de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
Deze zaak hangt nauw samen met de zaak van de moeder en de grootouders over het gezag en een omgangsregeling met het kenmerk C/02/432910 / FA RK 25-1273. Daarom heeft de rechtbank de zaken tegelijk mondeling behandeld. De beslissing in de andere zaak staat in een aparte beschikking.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] geboren. Zij woont bij de moeder.
2.2.
Bij voornoemde beschikking van 8 mei 2018 is bepaald dat de grootmoeder samen met de moeder wordt belast met het gezag over [minderjarige] .
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 26 mei 2025 is een voorlopige zorgregeling vastgelegd. [minderjarige] verblijft bij de grootouders van:
  • maandag na school tot dinsdag naar school;
  • donderdag na school tot vrijdag naar school;
  • om het weekend van zaterdag 11.00 uur (of na de hockey) tot dinsdag naar school;
  • wanneer [minderjarige] vrij is van school verblijft zij op maandag of donderdag vanaf 10.00 uur bij de grootouders en gaat zij op een vrije dinsdag of vrijdag om 15.00 uur naar de moeder.
Verder is voor het jaar 2025 een vakantie-, feest- en bijzondere dagenregeling vastgelegd.
2.4.
Bij beschikking van 13 november 2025 in de zaak van de moeder en de grootouders over het gezag en een omgangsregeling met genoemd kenmerk C/02/432910 / FA RK 25-1273 heeft de rechtbank de Raad verzocht om een onderzoek te doen en daarover te adviseren. Daarnaast heeft de rechtbank een voorlopige regeling voor de vakanties en feestdagen vastgesteld. De rechtbank heeft de behandeling van en de beslissing op de verzoeken met betrekking tot het gezag en over de omgangsregeling pro forma aangehouden, in afwachting van het rapport van de Raad.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad legt aan zijn verzoek ten grondslag dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd, omdat zij klem zit in de strijd tussen haar moeder en grootouders, althans haar grootmoeder. [minderjarige] heeft daar veel last van. [minderjarige] is loyaal aan grootmoeder en aan haar moeder en ervaart loyaliteitsproblemen, doordat zij over haar in conflict zijn met elkaar. De grootmoeder en de moeder zijn voor [minderjarige] de belangrijkste personen in haar leven, maar tussen de moeder en grootmoeder wordt nauwelijks met elkaar gecommuniceerd. De Raad vindt het van belang dat zij goed met elkaar zullen gaan samenwerken, zeker nu [minderjarige] in de pubertijd gaat geraken. Naar de mening van de Raad is de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] ook gelegen in haar negatieve zelfbeeld, dat zij zorgelijke uitspraken over zichzelf doet, dat zij zichzelf weleens pijn doet en dat zij soms aangeeft er niet meer te willen zijn. De Raad acht het daarbij niet geheel ondenkbaar dat bij [minderjarige] tevens sprake kan zijn van kindeigen problematiek. De grootouders en de moeder hebben in de afgelopen maanden met elkaar een hulpverleningstraject doorlopen bij [hulpverlening] , maar zonder resultaat. Daarbij heeft de Raad zijn zorgen of de benodigde hulp zal worden geaccepteerd, vooral gezien het patroon van afhaken dat de moeder tot dusver heeft laten zien.
4.2.
De moeder geeft aan dat tussen haar en de grootmoeder sprake is van een slechte samenwerking, waardoor zij gezamenlijk gezag niet langer werkbaar acht. Volgens de moeder is er in de afgelopen jaren veel hulp ingezet geweest en is zij hulpverleningsmoe, maar is zij in het belang van [minderjarige] bereid om de hulpverlening niet langer te laten stagneren. Dat zij bij het hulpverleningstraject van [hulpverlening] afhaakte was volgens de moeder gelegen in een valse start. Zo gaf [hulpverlening] bij aanvang van het hulpverleningstraject direct te kennen, dat zij haar verzoek om alleen te worden belast met het gezag over [minderjarige] beter kon laten varen. Concluderend heeft de moeder tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling geen bezwaar. De moeder wenst de kinderrechter daarbij voor te houden dat er al een lange tijd onzekerheid heerst binnen het gezin, alleen al als wordt gekeken naar de duur van de procedure. Bovendien is de moeder van mening dat een half jaar voldoende zou moeten zijn om te laten zien dat de hulpverlening werkt en te beoordelen of de ingezette koers het gewenste effect heeft voor [minderjarige] . Naar de mening van de moeder noopt een kortere periode partijen tot intensiever samenwerken. Om die reden ziet de moeder meer in een ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden.
4.3.
De grootouders geven aan zich grote zorgen te maken over [minderjarige] . Zo zijn er eerder zorgen door hen geuit over de psychische gesteldheid van het (eerdere) alcoholgebruik van moeder en de spanningen tussen moeder en haar partner. Grootouders merken dat [minderjarige] niet lekker in haar vel zit. Naar de mening van de grootouders nemen de zorgen over [minderjarige] toe, vooral op het gebied van gezondheid, sociale- en emotionele ontwikkeling en haar algemene welzijn. Zo is [minderjarige] in het afgelopen jaar veel aangekomen, heeft zij last van obstipatie, vermoeidheid en misselijkheid, is zij gestopt met sporten, is zij vaker afwezig op school en heeft zij weinig sociale contacten meer. Voorts heeft [minderjarige] schokkende uitlatingen gedaan over het leven. De grootouders betreuren voorts dat er tussen hen en de moeder nog steeds sprake is van een gebrekkige samenwerking. Gelet op deze zorgen en het feit dat – anders dan grootouders wensen – de hulpverlening door toedoen van de moeder telkenmale niet slaagt, concluderen grootouders dat wordt voldaan aan de gronden voor een ondertoezichtstelling. Met het daartoe gedane verzoek stemmen grootouders in.
4.4.
De GI is van mening dat voldaan wordt aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling en verklaart bereid te zijn om die maatregel te gaan uitvoeren.
De GI merkt daarbij op dat er nog niet meteen een vaste jeugdbeschermer kan worden aangesteld, omdat zij te kampen heeft met een wachtlijst. Mede om die reden acht de GI een ondertoezichtstelling voor de duur van een half jaar niet werkbaar. De GI verzoekt de kinderrechter om de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar uit te spreken.
De GI merkt nog op dat gedurende de tijd dat de zaak op de wachtlijst staat een eerste beoordeling zal worden gedaan en benodigde hulp alvast zal worden aangevraagd.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter overweegt dat de moeder en grootouders een belangrijke rol hebben in het leven van [minderjarige] . Sinds de geboorte van [minderjarige] hebben grootouders altijd een mede-opvoedersrol gehad voor [minderjarige] . Bij beschikking van 8 mei 2018 is zelfs bepaald dat de grootmoeder samen met de moeder wordt belast met het gezag over [minderjarige] . Sinds 2018 is [minderjarige] wel wat minder bij grootouders gaan verblijven, maar nog altijd gedurende een substantieel deel van de tijd. Tussen de moeder en grootouders is inmiddels al geruime periode sprake van strijd. [minderjarige] zit daarin klem en bevindt zich tussen haar moeder en grootouders in een loyaliteitsconflict, omdat zij aan beide loyaal wil blijven.
Vanwege deze strijd wordt [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Hierbij komen de zorgen over het negatieve zelfbeeld dat [minderjarige] heeft, de zorgelijke uitspraken die zij over zichzelf doet, dat zij zichzelf weleens pijn doet en dat zij soms aangeeft er niet meer te willen zijn, zoals in een briefje van [minderjarige] dat grootmoeder in november 2025 bij haar thuis aantrof.
Of aan deze zorgelijke uitlatingen van [minderjarige] kindeigen problematiek ten grondslag ligt is onzeker en moet nog worden uitgezocht. Vaststaat wel dat de strijd tussen grootouders en de moeder hieraan in elk geval geen goed doet. De kinderrechter acht het dan ook zeer wel in het belang van [minderjarige] , dat de grootouders en de moeder met elkaar aan de slag zullen gaan om de zorgen over [minderjarige] weg te kunnen nemen.
5.2.
Tot dusver heeft de ingezette hulpverlening, zoals vanuit [hulpverlening] , hier echter geen positieve verandering in kunnen teweegbrengen. Een maatregel binnen een gedwongen kader – een ondertoezichtstelling – is dan ook in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] daarom onder toezicht. De moeder heeft verzocht om de maatregel in duur te beperken tot een half jaar. Nu echter niet verwacht wordt dat de verhoudingen tussen de grootouders en de moeder op korte termijn zullen zijn genormaliseerd en de GI bovendien kampt met een wachtlijst, ziet de kinderrechter onvoldoende reden om de ondertoezichtstelling te bekorten en spreekt zij deze uit voor de duur van een jaar.
5.3.
Als hulpverleningsdoelen binnen de ondertoezichtstelling worden aangemerkt:
- [minderjarige] voelt zich fijn, heeft geen negatieve gedachten en doet zichzelf geen pijn;
- [minderjarige] wordt niet belast met volwassenproblematiek.
• de ingezette hulpverlening van [hulpverlening] wordt gecontinueerd
met de door hen geformuleerde doelen;
• Moeder en grootmoeder staken hun onderlinge strijd;
• Moeder en grootmoeder communiceren op een opbouwende
manier;
• Moeder en grootmoeder werken samen op een constructieve wijze.
- [minderjarige] ontvangt de emotionele toestemming om het fijn te mogen hebben bij zowel grootmoeder als moeder;
- [minderjarige] behoudt contact met haar familienetwerk;
- onderzocht wordt of en in hoeverre bij [minderjarige] (ook) sprake is van kindeigen problematiek, en zo ja, welke hulpverlening specifiek voor haar aangewezen is.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van de Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 2 maart 2026 tot 2 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2026 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 16 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.