Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2448

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/02/432910 / FA RK 25-1273
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling voorlopige vakantie- en zorgregeling voor minderjarige in gezagszaak

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 2 maart 2026 een zaak over het gezag en de zorgregeling voor een minderjarige, waarbij grootouders en moeder betrokken zijn. De Raad voor de Kinderbescherming en een gecertificeerde instelling adviseerden de rechtbank, die de voorlopige zorgregeling uit mei 2025 als uitgangspunt nam.

Partijen waren het eens over de verdeling van vakanties en feestdagen in 2026, zoals Koningsdag, Hemelvaart, Pinksteren en Pasen, maar verschilden over de zomervakantie en herfstvakantie. De rechtbank wees het voorstel van de grootouders toe voor de zomervakantie en de herfstvakantie, omdat dit het belang van de minderjarige het beste diende.

De rechtbank besloot de verzoeken over het gezag en de definitieve zorgregeling aan te houden voor zes maanden, in afwachting van de resultaten van de lopende hulpverlening en ondertoezichtstelling. De voorlopige regeling blijft van kracht en is uitvoerbaar bij voorraad. Partijen en de gecertificeerde instelling moeten de rechtbank tijdig informeren over de voortgang en eventuele verdere behandeling.

De beschikking is op 2 maart 2026 uitgesproken en op 16 maart 2026 schriftelijk vastgesteld. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De rechtbank stelt de voorlopige vakantie- en feestdagenregeling vast en houdt de beslissing over gezag en definitieve zorgregeling aan tot september 2026.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/432910 / FA RK 25-1273
datum uitspraak: 2 maart 2026
beschikking over gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[persoon 1]en
[persoon 2],
hierna de grootmoeder,
gezamenlijk aan te duiden als de grootouders,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. T.J.W. Noordegraaf-van Dijke te Tilburg,
tegen
[de moeder] ,
hierna: de moeder,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. J.A. van Essen te Breda,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de
Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
Informant in deze procedure is:
de Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI), locatie Tilburg.

1.Het verdere procesverloop

1.1
In het dossier bevinden zich de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 13 november 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 oktober 2025;
- het op 16 december 2025 ontvangen rapport van de Raad met bijlagen en diens op 12 februari 2026 ontvangen brief met bijlagen;
- de brief van mr. Noordegraaf-van Dijke van 24 februari 2026;
- de brief van mr. Van Essen van 27 februari 2026.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 2 maart 2026. Bij die behandeling zijn verschenen partijen, ieder vergezeld door hun advocaat. Tevens waren aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad en (via beeldbellen) twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3
Deze zaak hangt nauw samen met de zaak van de Raad over de ondertoezichtstelling met het kenmerk C/02/442935 / JE RK 25-2221. Daarom heeft de rechtbank de zaken tegelijk mondeling behandeld. De beslissing in de andere zaak staat in een aparte beschikking.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een briefje gestuurd naar de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De nadere beoordeling

2.1
Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank de Raad verzocht om een onderzoek in te stellen en daarover te rapporteren en te adviseren. Daarnaast heeft de rechtbank een regeling bepaald voor de carnavalsvakantie van 2026 en heeft de rechtbank het meer of anders verzochte met betrekking tot de voorlopige zorgregeling en de vakantie- feest- en bijzondere dagenregeling afgewezen.
De rechtbank heeft de behandeling van en de beslissing op de verzoeken met betrekking tot het gezag, de definitieve zorgregeling dan wel omgangsregeling en de vakantie- feest- en bijzondere dagenregeling aangehouden, in afwachting van het rapport van de Raad.
2.2.
Bij eerdere beschikking van deze rechtbank van 26 mei 2025 is een voorlopige zorgregeling vastgelegd. [minderjarige] verblijft bij de grootouders van:
  • maandag na school tot dinsdag naar school;
  • donderdag na school tot vrijdag naar school;
  • om het weekend van zaterdag 11.00 uur (of na de hockey) tot dinsdag naar school;
  • wanneer [minderjarige] vrij is van school verblijft zij op maandag of donderdag vanaf 10.00 uur bij de grootouders en gaat zij op een vrije dinsdag of vrijdag om 15.00 uur naar de moeder.
2.3
Aan de orde zijn thans de navolgende verzoeken:
De grootouders verzoeken, na wijziging van hun verzoek, naar de rechtbank begrijpt:
  • het verzoek tot vaststelling van een definitieve zorgregeling (in brede zin ex. artt. 1:253a BW en 1:377e BW) aan te houden, in afwachting van de resultaten van de hulpverlening, waarbij thans de huidige voorlopige zorgregeling gecontinueerd wordt, althans een zorgregeling vast te stellen zoals de rechtbank in goede justitie redelijk en billijk acht;
  • de vakanties en feestdagen over 2026 alsnog vast te leggen conform het eerder verzoek van 19 september 2025 en zoals ter zitting op 2 oktober 2025 besproken, aangezien er reeds vakanties starten alvorens de hulpverlening of gezinsvoogd hierin kunnen doorpakken;
  • de vakantie- en feestdagenregeling zoals vermeld staat in randnummer 56 van het verzoekschrift vast te stellen, althans een dusdanige vakantie- en feestdagenregeling zoals de rechtbank in goede justitie redelijk en billijk acht;
  • het verzoek tot eenhoofdig gezag af te wijzen.
De moeder voert verweer en verzoekt zelfstandig, na wijziging van haar verzoek, naar de rechtbank begrijpt:
  • het verzoek tot vaststelling van de definitieve zorgregeling, inclusief de verdeling van de vakanties, aan te houden, waarbij de huidige, voorlopige zorgregeling wordt gecontinueerd, althans een zorgregeling vast te stellen zoals de rechtbank in goede justitie juist en billijk acht;
  • het verzoek van de grootouders inzake de vakanties over het jaar 2026 af te wijzen, met inachtneming van het eerdere standpunt van de Raad en rechtsoverweging 4.7. van de beschikking van deze rechtbank van 13 november 2025;
  • het verzoek tot eenhoofdig gezag aan te houden.
2.4
Uit de inhoud van het rapport van de Raad blijkt dat de hulpverlening vanuit [hulpverlening] is gestart in oktober 2025. Er zijn daarvan nog geen resultaten voorhanden die volgens de Raad meegenomen kunnen worden bij het formuleren van een advies aan de rechtbank. Naar de mening van de Raad moet er nog veel gebeuren tijdens de hulpverlening.
De Raad adviseert de rechtbank om de beslissingen ten aanzien het gezag en de (definitieve) zorgregeling aan te houden voor de duur van een jaar. Dit in afwachting van de resultaten van de hulpverlening, te weten vanuit [hulpverlening] en de in te zetten hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling. Daarbij adviseert de Raad om in het kader van de ondertoezichtstelling de GI de rechtbank op termijn te laten adviseren over het gezag en de (definitieve) zorgregeling.
De Raad verwijst hierbij voor de eerstkomende periode naar de door de rechtbank reeds vastgestelde voorlopige zorgregeling.
2.5.
Ter zitting heeft de kinderrechter met ingang van 2 maart 2026 tot 2 maart 2027 mondeling de ondertoezichtstelling over [minderjarige] uitgesproken, uit te voeren door de GI. De beslissing in die zaak staat in een aparte beschikking.
2.6.
De rechtbank ziet, in lijn met het advies van de Raad, aanleiding om de verzoeken over het gezag en de (definitieve) zorgregeling aan te houden, nu partijen in het kader van de ondertoezichtstelling met elkaar aan de slag zullen gaan om de situatie voor [minderjarige] te verbeteren. Omdat het gelet op de geldende wachtlijst bij de GI nog enige tijd zal duren vooraleer een vaste jeugdbeschermer zal worden aangesteld, ziet de rechtbank wel aanleiding om alvast een beslissing te nemen over de verdeling van de eerstkomende vakanties en feestdagen over het jaar 2026. Ter zitting zijn de hiertoe door partijen gedane verzoeken (deels) besproken.
2.7.
Gebleken is dat partijen het eens zijn over de navolgende verdeling van de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen:
Pasen
  • Eerste Paasdag (5 april 2026) verblijft [minderjarige] bij de moeder. (volgens de reguliere zorgregeling is [minderjarige] dat weekend ook bij de moeder);
  • Tweede Paasdag (6 april 2026) vanaf 10.00 uur verblijft [minderjarige] bij de grootouders tot dinsdag 7 april 2026 te 15.00 uur (in verband met een studiedag).
Meivakantie
  • Vrijdag 17 april 2026 uit school tot vrijdag 24 april 2026 verblijft [minderjarige] bij de moeder;
  • Vrijdag 24 april 2026 vanaf 19.00 uur tot vrijdag 1 mei 2026 te 19.00 uur verblijft [minderjarige] bij de grootouders;
  • Vrijdag 1 mei 2026 te 19.00 uur tot maandag 4 mei 2026 te 10.00 uur verblijft [minderjarige] bij de moeder;
  • Maandag 4 mei 2026 (studiedag) vanaf 10.00 uur tot dinsdag 5 mei 2026 te 15.00 uur verblijft [minderjarige] bij de grootouders.
Koningsdag
- Op Koningsdag verblijft [minderjarige] bij grootouders.
Moederdag
- Zaterdag 9 mei 2026 te 20.00 uur tot zondag 10 mei 2026 te 20.00 uur verblijft [minderjarige] bij de moeder.
Hemelvaart
- Donderdag 14 mei 2026 tot maandag 18 mei 2026 te 08.30 uur verblijft [minderjarige] bij de moeder.
Pinksteren
- Op Eerst en Tweede Pinksterdag verblijft [minderjarige] bij grootouders.
Vaderdag
- [minderjarige] verblijft in het weekend van Vaderdag het hele weekend bij grootouders. [minderjarige] wordt dan in de gelegenheid gesteld haar vader op zondag te kunnen zien.
Nu de rechtbank met de Raad deze verdeling van de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen in het belang van de minderjarige [minderjarige] acht, liggen de hiertoe door partijen gedane verzoeken als na te melden voor toewijzing gereed.
2.8.
Partijen zijn verdeeld gebleven over het verblijf van [minderjarige] gedurende de zomervakantie en gedurende de herfstvakantie.
2.9.
De grootouders stellen voor dat de zomervakantie bij helfte tussen partijen wordt verdeeld, waarbij [minderjarige] :
  • Zaterdag 11 juli 2026 vanaf 19.00 uur tot zondag 2 augustus 2026 tot 19.00 uur bij de moeder zal verblijven (hierin valt ook de verjaardag van de moeder);
  • Zondag 2 augustus 2026 vanaf 19.00 uur tot en met dinsdagochtend 25 augustus 2026 bij de grootouders zal verblijven (volgens de reguliere zorgregeling verblijft [minderjarige] maandag 24 augustus 2026 en dinsdagochtend 25 augustus 2026 ook bij de grootouders).
(In de laatste vakantieweek bij de grootouders start de Kindervakantieweek waaraan [minderjarige] graag wil deelnemen).
Na zondag 23 augustus 2026 zal alsdan de reguliere zorgregeling weer doorlopen.
2.10.
De moeder stelt voor dat de zomervakantie als volgt wordt verdeeld:
  • [minderjarige] verblijft van woensdag 8 juli 2026 tot 2 augustus 2026 te 17.00 uur bij de moeder;
  • van 2 augustus 2026 tot 5 augustus 2026 te 13.00 uur bij de grootouders;
  • van 5 augustus 2026 te 13.00 uur tot maandag 10 augustus 2026 te 11.00 uur bij de moeder;
  • van 10 augustus 2026 te 11.00 uur tot woensdag 12 augustus 2026 te 13.00 uur bij de grootouders;
  • van 12 augustus 2026 13.00 uur tot maandag 17 augustus 2026 te 11.00 uur bij de moeder;
  • van 17 augustus 2026 te 11.00 uur tot 26 augustus 11.00 uur bij de grootouders;
  • van 26 augustus 2026 na de kindervakantieweek tot vrijdag 28 augustus 2026 te 11.00 uur bij de moeder.
2.11.
Nu de door de moeder verzochte regeling het in praktische zin lastiger maakt om desgewenst met [minderjarige] wat langer aaneengesloten op vakantie te kunnen gaan, acht de rechtbank de door de grootouders verzochte regeling het meest in het belang van de minderjarige [minderjarige] . Het hierover door de grootouders gedane verzoek zal daarom worden toegewezen.
2.12.
Voor wat betreft de herfstvakantie merken de grootouders op dat hun jaarlijkse familievakantie in die vakantie plaatsvindt. De grootouders stellen voor dat [minderjarige] dan bij hen zal verblijven van maandag tot vrijdag, zodat zij mee op vakantie kan. Het weekend voorafgaand aan de vakantie en het weekend na de vakantie verblijft [minderjarige] dan bij de moeder.
Mocht de familievakantie geen doorgang vinden, stellen de grootouders voor dat de herfstvakantie als volgt wordt verdeeld:
  • maandag 19 oktober 2026 tot woensdag 21 oktober 2026 tot 15.00 uur verblijft [minderjarige] bij de grootouders (volgens de reguliere zorgregeling verblijft [minderjarige] het weekend daarvoor ook bij de grootouders);
  • woensdag 21 oktober 2026 te 15.00 uur tot 26 oktober 2026 te 08.30 uur verblijft [minderjarige] bij de moeder.
2.14.
De moeder stelt voor dat [minderjarige] gedurende de herfstvakantie van 14 oktober 2026 tot maandag 26 oktober 2026 bij haar zal verblijven.
2.15.
De rechtbank acht het het meest in het belang van de (identiteits)ontwikkeling van [minderjarige] , dat zij in de herfstvakantie met haar “gehele” familie op vakantie zal kunnen gaan. Om die reden zal de rechtbank het hiertoe door de grootouders gedane verzoek toewijzen.
2.16.
De rechtbank zal de beslissingen over het gezag en over de definitieve zorgregeling dan ook aanhouden, en wel voor de duur van zes maanden pro forma, in afwachting van hoe de vastgestelde regeling verloopt. Daarbij staat het partijen vrij om de voorlopige regeling in samenspraak met de GI waar nodig aan te passen. De rechtbank verwacht van de advocaten van partijen én van de GI dat zij de rechtbank in elk geval uiterlijk 10 dagen voorafgaande aan de na te melden pro forma datum zullen informeren over hoe de regeling verloopt, op welke wijze de zaak zou moeten worden afgedaan en dat ze daarbij zullen aangeven of zij een nieuwe mondelinge behandeling bij de rechtbank willen of dat zij het ermee eens zijn dat de rechtbank schriftelijk beslist op de verzoeken zonder nieuwe mondelinge behandeling.
2.17.
De rechtbank zal de beslissing over de (voorlopige) zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door partijen. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014, gedurende de vakanties, feestdagen en bijzondere van 2026 op de wijze zoals overwogen in de rechtsoverwegingen 2.7., 2.9. en 2.12. bij de moeder dan wel bij de grootouders zal verblijven, waarover de grootouders en de moeder in samenspraak met de GI samen verdere afspraken kunnen maken;
3.2.
wijst het meer of anders verzochte met betrekking tot de (voorlopige) vakantie- feest en bijzondere dagenregeling af;
3.3.
houdt de behandeling van en de beslissing op de verzoeken met betrekking tot het gezag en de definitieve zorgregeling dan wel omgangsregeling en de vakantie- feest- en bijzondere dagenregeling aan tot
dinsdag 15 september 2026 PRO FORMA, zulks met inachtneming van hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 2.16 is overwogen;
3.4.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2026 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 16 maart 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.