De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 3 april 2026 de ontnemingsvordering tegen betrokkene, die eerder was veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie, medeplegen van invoer van cocaïne en gewoontewitwassen. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot €207.389,-, gebaseerd op een financieel onderzoek dat aantoonde dat betrokkene meer contante uitgaven had gedaan dan via legale bronnen kon worden verantwoord.
De verdediging voerde aan dat de contante betalingen afkomstig waren uit het legale vermogen van een partner, maar de rechtbank achtte deze stelling niet geloofwaardig. De rechtbank baseerde zich op een kasopstelling die de contante uitgaven van betrokkene in de periode 2016-2020 onderzocht en concludeerde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel €207.389,- bedroeg.
Na een beoordeling van de redelijke termijn en toepassing van een strafvermindering wegens termijnoverschrijding stelde de rechtbank het terug te betalen bedrag vast op €202.389,-. De vordering van de officier van justitie werd voor het overige afgewezen. Betrokkene werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de staat, met een gijzelingstermijn van 1080 dagen bij niet-betaling.