Op 20 november 2025 heeft verdachte samen met drie medeverdachten ingebroken in een fietsenzaak te [plaats] en zeven fietsen weggenomen door braak. De rechtbank achtte dit wettig en overtuigend bewezen, mede op basis van de bekennende verklaring van verdachte, camerabeelden en aangifte.
De rechtbank verwierp het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn van acht fietsen en dat verdachte in opdracht van de eigenaar handelde. De verklaring van verdachte hierover werd als ongeloofwaardig beoordeeld. Ook werd geoordeeld dat er geen sprake was van mobiel banditisme, ondanks de georganiseerde handelswijze.
De rechtbank legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden op, passend bij de ernst van het feit en de georganiseerde wijze van handelen. De benadeelde partij vorderde een immateriële schadevergoeding van €3.000,-, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de psychische gevolgen onvoldoende onderbouwd waren en de inbraak in het bedrijfspand plaatsvond zonder aanwezigheid van de eigenaar.
De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht op de straf. De voorlopige hechtenis wordt opgeheven zodra de opgelegde straf gelijk is aan het voorarrest. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter voortzetten.