Belanghebbende maakte bezwaar tegen een rentebeschikking van €237 opgelegd door de ontvanger van de Belastingdienst in verband met een openstaande motorrijtuigenbelastingschuld uit 2012. De rechtbank beoordeelt of de aanslag motorrijtuigenbelasting 2012 is verjaard en of de rentebeschikking terecht is vastgesteld.
De rechtbank stelt vast dat de aanslag gedagtekend is op 17 augustus 2016 met een betalingstermijn tot 31 augustus 2016, waardoor de verjaring op 1 september 2021 zou intreden zonder stuiting. De ontvanger heeft echter op 26 juli 2018 een mededeling tot verrekening gestuurd, waarmee de verjaring is gestuit. Daarnaast is op 6 september 2019 een dwangbevel betekend, wat ook stuiting kan vormen.
De rechtbank oordeelt dat de aanslag niet is verjaard en dat de rentebeschikking terecht is opgelegd. De berekening van de rentebeschikking is voldoende onderbouwd. Het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van materiële en immateriële schade wordt afgewezen omdat het beroep ongegrond is en de redelijke termijn niet is overschreden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de rentebeschikking blijft gehandhaafd.