Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2471

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
25/811
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26c AWRArt. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een verzuimboete opgelegd door de inspecteur over de periode van 23 juli 2023 tot 28 februari 2024. De rechtbank behandelde het beroep op 27 februari 2026.

De kern van het geschil betrof de ontvankelijkheid van het beroep, omdat het beroepschrift pas op 29 januari 2025 door de inspecteur werd ontvangen, ruim na het verstrijken van de beroepstermijn die liep tot 30 oktober 2024. Belanghebbende stelde dat de termijnoverschrijding te wijten was aan gebrekkige postbezorging in Turkije, waar hij sinds 24 juli 2024 woonde.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende op de hoogte was van de termijn en de uiterlijke datum van de uitspraak op bezwaar, mede door ontvangstbevestiging en mededeling van verlenging. Gezien het feit dat belanghebbende geen voorzorgsmaatregelen had genomen, zoals het aanhouden van een postadres in Nederland, was de termijnoverschrijding niet verschoonbaar.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en kwam zij niet toe aan inhoudelijke beoordeling. Belanghebbende kreeg het griffierecht niet terug en geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening van het beroepschrift zonder verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/811

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (Turkije), belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 september 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd over het tijdvak 23 juli 2023 tot en met 28 februari 2024 van € 1.128 (de naheffingsaanslag). Gelijktijdig met de naheffingsaanslag heeft de inspecteur een verzuimboete opgelegd van € 564 (de boetebeschikking)
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbende (via beeldverbinding) en namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Feiten

2. Belanghebbende woont sinds 24 juli 2024 in Turkije.
3. Belanghebbende is volgens kentekenregistratie vanaf 17 december 2021 tot en met 13 mei 2024 houder van een personenauto van het merk BMW, type 3ER REIHE, met [kenteken] (hierna: het motorrijtuig). De geldigheid van het kentekenbewijs is van 23 juli 2023 tot 14 mei 2024 geschorst geweest.
3.1.
Op 10 januari 2024 is door een medewerker van de Belastingdienst geconstateerd dat het motorrijtuig geparkeerd stond op de openbare weg bij een garage, terwijl het kenteken was geschorst.
3.2.
Naar aanleiding van die constatering heeft de inspecteur de naheffingsaanslag en de verzuimboete opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

4. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht zijn opgelegd. Voordat de rechtbank aan de beoordeling van die vraag toekomt, gaat zij allereerst in op de ontvankelijkheid van het beroep.
Ontvankelijkheid van het beroep
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift een termijn is die de rechtbank ambtshalve moet toetsen. De termijn voor het indienen van een beroepschrift begint met de dag na die van de dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de uitspraak op bezwaar is bekendgemaakt na de dag van dagtekening. [1] In laatstbedoeld geval begint de beroepstermijn met de dag na die van de bekendmaking. De beroepstermijn bedraagt zes weken. [2]
4.2.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het bovendien niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. [4] Een beroepschrift dat te laat is ingediend, kan toch als ontvankelijk worden aangemerkt als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [5]
4.3.
De uitspraak op bezwaar is gedagtekend op 18 september 2024. Belanghebbende bestrijdt niet dat de uitspraak op bezwaar op 18 september 2024 aan hem is bekendgemaakt. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is gestart op 19 september 2024 en eindigde op 30 oktober 2024. Het beroepschrift is door de inspecteur ontvangen op 29 januari 2025. Het beroepschrift is op 12 februari 2025 aan de rechtbank doorgestuurd. Belanghebbende heeft pas na afloop van de beroepstermijn het beroepschrift ingediend. Het beroepschrift is daarom op grond van de wet niet tijdig ingediend.
4.4.
Omdat het beroepschrift is binnengekomen na afloop van de beroepstermijn, zal de rechtbank vervolgens beoordelen of “redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest”, oftewel of de termijnoverschrijding ‘verschoonbaar’ is. Belanghebbende stelt de uitspraak op bezwaar pas na afloop van de beroepstermijn te hebben ontvangen als gevolg van de gebrekkige postbezorging in Turkije. De inspecteur stelt dat aan belanghebbende de ontvangst van zijn bezwaarschrift is bevestigd en kenbaar gemaakt wanneer hij de uitspraak op bezwaar kan verwachten. Volgens de inspecteur had belanghebbende kunnen voorzien dat een emigratie tijdens de bezwaarfase van invloed kon zijn op de tijdige ontvangst van de uitspraak op bezwaar.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank volgt de inspecteur in zijn stelling dat belanghebbende op de hoogte is gesteld wanneer de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar zou verstrijken. Door de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift en de mededeling van de verlenging van de beslistermijn was belanghebbende op de hoogte van de uiterlijke datum waarop de uitspraak op bezwaar kon worden verwacht. Voor zover belanghebbende bekend was met de gebrekkige postbezorging in Turkije, is uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken niet gebleken dat belanghebbende hierop actie heeft ondernomen toen de uitspraak niet ten tijde van de aangekondigde datum was ontvangen. Indien belanghebbende zoals in dit geval in het buitenland woont, ligt het op de weg van belanghebbende om een postadres in Nederland te hebben om problemen in de communicatie met de Nederlandse Belastingdienst te voorkomen. Gelet op het voorgaande, is belanghebbende verantwoordelijk voor het nemen van adequate voorzorgsmaatregelen. Nu belanghebbende dit heeft nagelaten, liep belanghebbende het risico op vertraagde postbezorging.
4.6.
Omdat de termijnoverschrijding op grond van het voorgaande niet verschoonbaar is, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt het beroep van belanghebbende daarom niet inhoudelijk. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier, op 2 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
2.Artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 6:9, eerste lid van de Awb.
4.Artikel 6:9, tweede lid van de Awb.
5.Artikel 6:11 van Pro de Awb.