Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2472

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
25/1438
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet motorrijtuigenbelasting 1994Art. 14 Wet motorrijtuigenbelasting 1994Art. 17 lid 2 Wet motorrijtuigenbelasting 1994Paragraaf 3 Besluit inrichtingseisen bpm en mrbArt. 37 Wet motorrijtuigenbelasting 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag en verzuimboete motorrijtuigenbelasting wegens niet voldoen aan fiscale inrichtingseisen bestelautotarief

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een verzuimboete opgelegd door de inspecteur, omdat het motorrijtuig niet voldeed aan de fiscale inrichtingseisen voor het bestelautotarief voor ondernemers.

De rechtbank oordeelt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard en verklaart het beroep gegrond voor dat onderdeel. Inhoudelijk stelt de rechtbank vast dat het motorrijtuig op het moment van controle niet voldeed aan de inrichtingseisen, onder meer vanwege aanwezigheid van zijruiten en een verplaatste vaste wand, waardoor de naheffingsaanslag en boete terecht zijn opgelegd.

Belanghebbende kon niet aannemelijk maken dat het motorrijtuig zich in de goedgekeurde staat bevond tijdens de controle en dat herstelbeleid van toepassing was. De boete is passend en conform de wettelijke bepalingen opgelegd. De rechtbank bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed, maar geen proceskosten worden toegekend.

De uitspraak is gedaan door rechter J.H. Bogert op 2 april 2026 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Hoger beroep is mogelijk binnen zes weken na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep is gegrond tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, maar de naheffingsaanslag en verzuimboete worden gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1438

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 februari 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd over het tijdvak 3 april 2023 tot en met 2 april 2024 van
€ 2.604 (de naheffingsaanslag). Gelijktijdig met de naheffingsaanslag is een verzuimboete opgelegd van € 1.302 (de boetebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde en de echtgenote van belanghebbende [persoon] . Namens de inspecteur zijn verschenen [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Feiten

2. Belanghebbende is volgens de kentekenregistratie vanaf 9 januari 2021 tot en met 6 januari 2025 houder van een personenauto van het merk Audi, type Q7, met kenteken
[kenteken] (hierna: het motorrijtuig). Belanghebbende betaalde de motorrijtuigenbelasting op basis van het bestelautotarief voor ondernemers.
2.1.
Op 29 februari 2024 is door de controlemedewerkers van de Belastingdienst geconstateerd dat niet aan de fiscale inrichtingseisen voor toepassing van het bestelautotarief voor ondernemers is voldaan.
2.2.
Naar aanleiding van die constatering heeft de inspecteur met dagtekening 3 september 2024 de naheffingsaanslag en de verzuimboete opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of het motorrijtuig voldeed aan de fiscale inrichtingseisen voor toepassing van het bestelautotarief voor ondernemers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is verder van oordeel dat het motorrijtuig niet aan de fiscale inrichtingseisen voldeed en dat de inspecteur de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht aan belanghebbende heeft opgelegd
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

Vooraf
3.2.
Bij de uitspraak op bezwaar is het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard omdat het volgens de inspecteur niet tijdig was ingediend. Het bezwaar van belanghebbende is derhalve ambtshalve door de inspecteur beoordeeld. In de beroepsfase heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding de inspecteur daarin niet te volgen. Beide partijen hebben verzocht om niet terug te verwijzen. De rechtbank zal het beroep van belanghebbende daarom inhoudelijk beoordelen.
Motiveringsbeginsel
3.3.
Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bewaar op onderdelen onbegrijpelijk en inconsistent was. Volgens belanghebbende wordt, behalve de stelling dat ‘aan de linkerzijde van de laadruimte een ruit zit’, niet met feiten onderbouwd aan welke fiscale inrichtingseisen ten tijde van de controle niet werd voldaan. De rechtbank vat dit betoog van belanghebbende op als een beroep op schending van het motiveringsbeginsel.
3.4.
Het motiveringsbeginsel houdt in dat een besluit moet berusten op een deugdelijke motivering. Dit vereiste houdt niet in dat de inspecteur in de uitspraak op bezwaar op alle door belanghebbende aangevoerde gronden in bezwaar moet ingaan, maar hij moet wel voldoende inzicht geven in de argumenten die hem hebben gebracht tot het ongegrond verklaren van het bezwaar. De onderhavige uitspraak op bezwaar bevat naar het oordeel van de rechtbank een voldoende toereikende motivering van de beslissing van de inspecteur. Het motiveringsbeginsel is daarom niet geschonden.
De naheffingsaanslag
3.5.
Voor de heffing van motorrijtuigenbelasting geldt dat, mits aan de inrichtingseisen is voldaan, voor een bestelauto een lager belastingtarief verschuldigd is dan voor een personenauto. Om het lagere bestelautotarief toe te kunnen passen mag het motorrijtuig onder meer geen zijruiten aan de linkerzijde van de laadruimte hebben en moet de vaste wand tussen de bestuurdersstoelen en de laadruimte op de juiste wijze zijn geplaatst. [1] De belasting dient op aangifte te worden voldaan [2] , waarbij heeft te gelden dat bij een verandering aan het motorrijtuig waardoor de belasting lager of hoger wordt, een aanvullende aangifte wordt gedaan. [3]
3.6.
De rechtbank stelt voorop dat op belanghebbende de last rust om aannemelijk te maken dat het motorrijtuig voldoet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat het motorrijtuig door de autogarage waar deze is aangekocht tot bestelauto is omgebouwd. Volgens belanghebbende is het motorrijtuig door de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) aangemerkt als bestelauto en mocht belanghebbende er daarom op vertrouwen dat het motorrijtuig aan de fiscale inrichtingseisen voor de toepassing van het bestelautotarief voor ondernemers voldeed. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat er altijd een vaste wand in het motorrijtuig aanwezig was, maar dat deze ten tijde van de controle was verplaatst. Belanghebbende stelt nog dat als de inspecteur had aangegeven aan welke fiscale inrichtingseisen ten tijde van de controle niet werd voldaan deze gebreken eenvoudig konden worden opgelost.
3.7.
De inspecteur stelt dat ten tijde van de controle van het motorrijtuig er geen volledige vaste wand maar een verlaagde vaste wand aanwezig was. De vaste wand was volgens de inspecteur ook niet dicht genoeg achter de voorste zitrij aangebracht. De inspecteur stelt daarnaast dat zijruiten in de laadruimte niet zijn toegestaan en bij de controle is geconstateerd dat er zijruiten aan de linkerzijde van het motorrijtuig aanwezig waren. Aan de rechterzijde was volgens de inspecteur één geblindeerde en één niet geblindeerde ruit aanwezig. De inspecteur stelt dat de zijruiten geheel verwijderd moeten zijn en vervangen door niet uit glas bestaande, onlosmakelijk met de carrosserie verbonden panelen. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft de inspecteur enkele foto’s overgelegd.
3.8.
Naar het oordeel van de rechtbank voldeed het motorrijtuig op het moment van de controle niet aan de fiscale inrichtingseisen voor toepassing van het bestelautotarief voor ondernemers en is de naheffingsaanslag daarom in beginsel terecht opgelegd. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat ten tijde van de controle een vaste wand aanwezig was maar dat deze (tijdelijk) was verplaatst. Het is daarom niet aannemelijk dat het motorrijtuig zich in dezelfde staat bevond zoals deze is aangeboden ten tijde van de keuring door de RDW, zoals belanghebbende stelt. Immers, het motorrijtuig zou in die staat niet goedgekeurd worden door de RDW. De stelling van belanghebbende dat de wand was verplaatst wordt ook onderbouwd met de door de inspecteur overgelegde foto’s. De door belanghebbende overgelegde foto’s zijn niet gedateerd en onduidelijk is op welk moment het motorrijtuig zich in die staat bevond. Nu is vast komen te staan dat het motorrijtuig op het moment van de controle niet aan de inrichtingseisen voldeed is het beroep in zoverre ongegrond. Belanghebbende heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij een beroep kon doen op het herstelbeleid. [4] Al hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel.
De boete
3.9.
Bij de constatering dat een auto niet (meer) aan de inrichtingseisen voor een bestelauto voldoet, kan de inspecteur, naast de nageheven belasting, een verzuimboete opleggen. [5] De inspecteur heeft de boete in dit geval in overeenstemming met de wettelijke bepalingen opgelegd.
3.10.
Het beboetbare feit is begaan. Het motorrijtuig voldeed namelijk niet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto, maar niettemin is de motorrijtuigenbelasting naar het bestelautotarief aangegeven en betaald. De boete is dus in beginsel terecht aan belanghebbende opgelegd. Opzet of schuld is geen vereiste voor een verzuimboete en daarom niet van belang, evenals de omstandigheid dat belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld. Een boete dient wel achterwege te blijven bij afwezigheid van alle schuld. Belanghebbende heeft echter niets aangevoerd dat erop wijst dat daarvan sprake is. De stelling van belanghebbende dat de RDW het motorrijtuig goedgekeurd zou zijn ondanks de aanwezigheid van ruiten die licht doorlaten, doet hieraan niets af. Immers, er waren meer punten waarop het motorrijtuig niet voldeed aan de voorwaarden.
3.11.
De inspecteur heeft een verzuimboete van 50% van de nageheven motorrijtuigenbelasting opgelegd. Deze boete is opgelegd conform het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. De rechtbank acht de boete passend en geboden en ziet in de feiten en omstandigheden van het geval geen aanleiding tot matiging van de boete.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is gegrond voor zover dit betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Het beroep is ongegrond voor zover dit betrekking heeft op de naheffingsaanslag en de verzuimboete.
4.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht van € 53 terug. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van haar proceskosten omdat zij geen kosten heeft gesteld die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar;
  • handhaaft de naheffingsaanslag en de verzuimboete;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.M.P. Dees, griffier, op 2 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [6]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 3 van Pro de Wet motorrijtuigenbelasting 1994 (mrb) en Artikel 3 van Pro de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994.
2.Artikel 14 van Pro de Wet Mrb.
3.Artikel 17, tweede lid, van de Wet Mrb.
4.Paragraaf 3 van het Besluit inrichtingseisen bpm en mrb.
5.Op basis van artikel 37 van Pro de Wet Mrb in samenhang met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
6.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.