Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2479

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
24/5542
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:15 AwbArt. 16 AWRArt. 67 lid 1 AWRArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling navorderingsaanslag en ondernemersstatus belanghebbende in inkomstenbelasting 2021

Belanghebbende was betrokken bij een boomkwekerij via een commanditaire vennootschap (CV) die per 30 juni 2020 werd ontbonden. Vervolgens is per 1 juli 2020 een nieuwe vennootschap onder firma (VOF) opgericht, waarvan belanghebbende deel uitmaakt. De inspecteur legde een navorderingsaanslag IB/PVV 2021 op, waarbij hij uitgaat van een ondernemersstatus vanaf 18 maart 2021, de datum van inschrijving van de nieuwe VOF in het Handelsregister.

Belanghebbende betwistte dit en stelde dat zij al per 1 juli 2020 als ondernemer kon worden aangemerkt, wat een nieuw feit zou opleveren dat navordering rechtvaardigt. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur wel degelijk beschikt over een nieuw feit, omdat de stukken waarop hij zijn standpunt baseert pas na het opleggen van de aanslag zijn ontvangen.

De rechtbank stelt dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft geleverd voor haar stelling dat de nieuwe VOF al per 1 juli 2020 bestond. De schriftelijke overeenkomst is pas op 10 januari 2022 gesloten en de inschrijving in het Handelsregister vond plaats op 18 maart 2021. De rechtbank wijst ook de toepassing van terugwerkende kracht af, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze niet gericht is op fiscaal voordeel.

Daarom is de navorderingsaanslag terecht vastgesteld en wordt het beroep ongegrond verklaard. Ook de belastingrentebeschikking blijft in stand. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2021 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5542

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 5 juli 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.252 (de navorderingsaanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende belastingrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 460 (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, drs. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht zijn vastgesteld. Meer in het bijzonder of belanghebbende per 1 juli 2020 kon worden aangemerkt als ondernemer (standpunt belanghebbende) of per 18 maart 2021 (standpunt inspecteur) en of daardoor sprake is van een nieuw feit. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Op 1 juli 1996 is belanghebbende toegetreden tot een vennootschap onder firma (de oude VOF) waarin een boomkwekerij wordt geëxploiteerd, [boomkwekerij] geheten. De andere vennoten waren de vader, de moeder en een broer van belanghebbende (de oudere broer).
3.1.
Per 1 juli 2003 is de oude VOF omgezet in een commanditaire vennootschap (CV). Vanaf dat moment waren vader en moeder de beherend vennoten. Belanghebbende, de oudere broer en een andere broer (de jongere broer) waren commanditaire vennoten.
3.2.
Per 1 juli 2006 is belanghebbende uitgetreden uit de CV en is haar echtgenoot in haar plaats getreden.
3.3.
Belanghebbende ontving een arbeidsvergoeding uit de boomkwekerij. Deze vergoeding gaf zij, in ieder geval vanaf 2010, aan als resultaat uit overige werkzaamheden.
3.4.
Per 1 juli 2016 is de jongere broer uit de CV getreden.
3.5.
Per 30 juni 2020 wordt de CV ontbonden. In de overeenkomst tot ontbinding van een commanditaire vennootschap, welke is getekend op 29 maart 2021, staat onder meer:
“In aanmerking nemende dat:
(…)

de vennoten in onderling overleg hebben besloten de vennootschap met ingang van 30 juni 2020 te ontbinden;
(…)
De vennoten komen overeen dat de vennoten [de oudere broer] en [de echtgenoot van belanghebbende] het bedrijf voortzetten in de vorm van een vennootschap onder firma samen met [belanghebbende] (…) De voortzettende vennoten zullen de voorwaarden waaronder zij de voortgezette vennootschap aangaan schriftelijk vastleggen.
(…)
Verdeling van het vermogen van de vennootschap zal worden gedaan op basis van de opgemaakte balans per 30 juni 2020, waarbij de gezamenlijke vermogens van [vader] en [moeder] worden toebedeeld voor de helft aan [de oudere broer] en voor de andere helft aan [belanghebbende] (…).
Met gebruikmaking van de Bedrijfs Opvolgings Regeling zullen [vader] en [moeder] schenken aan [de oudere broer] een bedrag van € 500.000, zodat deze nog schuldig blijft een bedrag van € 1.580.
Met gebruikmaking van de Bedrijfs Opvolgings Regeling zullen [vader] en [moeder] schenken aan [belanghebbende] een bedrag van € 430.000, zodat deze nog schuldig blijft een bedrag van € 71.580.”
3.6.
Bij overeenkomst van 10 januari 2022 zijn de oudere broer, de echtgenoot van belanghebbende en belanghebbende, per 1 juli 2020, een vennootschap onder firma aangegaan (de nieuwe VOF). Het bedrijf gevoerd door de VOF is een voortzetting van het bedrijf gevoerd door de CV. De nieuwe VOF is op 18 maart 2021 ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Op diezelfde datum is de CV uitgeschreven uit dat Handelsregister.
3.7.
De aanslag IB/PVV over 2021 is, conform de aangifte, geautomatiseerd opgelegd op 20 juni 2023. In die aangifte is ervan uitgegaan dat belanghebbende per 1 juli 2020 kan worden aangemerkt als ondernemer.
3.8.
Per e-mail van 3 oktober 2023 heeft de inspecteur vragen gesteld over de aangiften IB/PVV van de ouders van belanghebbende. Daarbij heeft hij onder meer afschriften opgevraagd van de CV-akte, de in 3.5 bedoelde overeenkomst van ontbinding van de CV en de in 3.6 bedoelde overeenkomst waarbij de nieuwe VOF is aangegaan. De inspecteur heeft bij e-mail van 26 oktober 2023 afschriften van deze stukken ontvangen.

Overwegingen

Is de inspecteur bevoegd tot navordering?
4. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet beschikt over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank beschikt de inspecteur wel over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.
De inspecteur mocht bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die belanghebbende in haar aangifte had vermeld. Tot nader onderzoek was hij niet gehouden nu de aangifte er verzorgd uitziet, is ingediend door een fiscaal deskundige en de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist waren. [1] Verder heeft de inspecteur de in 3.8 bedoelde stukken, waarop hij zijn stelling dat belanghebbende niet per 1 juli 2020 maar per 18 maart 2021 is aan te merken als ondernemer baseert, ontvangen ná het opleggen van de aanslag IB/PVV 2021. Aan wat hiervoor is overwogen doet niet af dat de inspecteur schenkbelasting al eerder over de in 3.8 bedoelde stukken beschikte. Een inspecteur IB/PVV hoeft bij het opleggen van een aanslag niet het dossier schenkbelasting van dezelfde belastingplichtige te raadplegen en hij hoeft daarbij evenmin de dossiers IB/PVV van verwanten te raadplegen. [2] Het betoog van belanghebbende faalt daarom.
Zijn de navorderingsaanslag en de beschikking belastingrente terecht vastgesteld?
4.2.
Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil of belanghebbende is aan te merken als ondernemer vanaf 1 juli 2020 of vanaf 18 maart 2021. Voor het geval de rechtbank oordeelt dat belanghebbende per 18 maart 2021 was aan te merken als ondernemer, bestrijdt belanghebbende niet de hoogte van de navorderingsaanslag en de beschikking belastingrente.
4.3.
De rechtbank overweegt dat op belanghebbende – nu zij zich beroept op een omstandigheid die meebrengt dat zij minder belasting is verschuldigd – de last rust om aannemelijk te maken dat zij reeds per 1 juli 2020 kon worden aangemerkt als ondernemer.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende niet geslaagd in haar bewijslast. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking:
In de in 3.5 bedoelde overeenkomst van 29 maart 2021 staat weliswaar dat de oudere broer, de echtgenoot van belanghebbende en belanghebbende het bedrijf zullen voortzetten in de vorm van een vennootschap onder firma, maar dit is – mede gelet op de omstandigheid dat vervolgens is opgenomen dat de voortzettende vennoten de voorwaarden waaronder zij de voortgezette vennootschap aangaan zullen vastleggen – onvoldoende om te concluderen dat dit zal geschieden per een eerder gelegen datum.
De oudere broer, de echtgenoot van belanghebbende en belanghebbende zijn de nieuwe VOF zijn aangegaan bij overeenkomst van 10 januari 2022 en hebben dus voor een schriftelijke vormgeving hebben gekozen waarin ze de hiervoor genoemde voorwaarden pas hebben vastgelegd. Gezien de gemotiveerde betwisting van de inspecteur had belanghebbende voor het bestaan van de overeenkomst op een vroeger tijdstip meer bewijs moeten leveren dan de enkele bewering dat de overeenkomst reeds in 2020 mondeling tot stand was gekomen. Wat betreft de inschrijving bij de Kamer van Koophandel overweegt de rechtbank dat door deze handeling tegenover derden bekendheid wordt gegeven aan het bestaan van de nieuwe ondernemingsvorm. Het feit dat die inschrijving pas op 18 maart 2021 is gedaan, in samenhang met het opmaken van de akte op 10 januari 2022, is eerder een aanwijzing dat de nieuwe VOF pas in 2021 is opgericht en niet al in 2020. De goedkeuring uit het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 6 februari 2010 [3] , dat onder voorwaarden aan een schriftelijke personen vennootschapsovereenkomst waarin een terugwerkende kracht is opgenomen, een terugwerkende kracht van maximaal negen maanden wordt toegekend, mist toepassing. Belanghebbende heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat de terugwerkende kracht niet is gericht op incidenteel fiscaal voordeel.
4.5.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de navorderingsaanslag terecht vastgesteld.
4.6.
Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 2 april 2026 door mr.drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:379, r.o. 4.2.1.
2.Vgl. Hoge Raad 3 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1508, r.o. 3.2.
3.Nr. DGB2010/671M, Stcrt. 2010, 2094.