Belanghebbende was betrokken bij een boomkwekerij via een commanditaire vennootschap (CV) die per 30 juni 2020 werd ontbonden. Vervolgens is per 1 juli 2020 een nieuwe vennootschap onder firma (VOF) opgericht, waarvan belanghebbende deel uitmaakt. De inspecteur legde een navorderingsaanslag IB/PVV 2021 op, waarbij hij uitgaat van een ondernemersstatus vanaf 18 maart 2021, de datum van inschrijving van de nieuwe VOF in het Handelsregister.
Belanghebbende betwistte dit en stelde dat zij al per 1 juli 2020 als ondernemer kon worden aangemerkt, wat een nieuw feit zou opleveren dat navordering rechtvaardigt. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur wel degelijk beschikt over een nieuw feit, omdat de stukken waarop hij zijn standpunt baseert pas na het opleggen van de aanslag zijn ontvangen.
De rechtbank stelt dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft geleverd voor haar stelling dat de nieuwe VOF al per 1 juli 2020 bestond. De schriftelijke overeenkomst is pas op 10 januari 2022 gesloten en de inschrijving in het Handelsregister vond plaats op 18 maart 2021. De rechtbank wijst ook de toepassing van terugwerkende kracht af, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze niet gericht is op fiscaal voordeel.
Daarom is de navorderingsaanslag terecht vastgesteld en wordt het beroep ongegrond verklaard. Ook de belastingrentebeschikking blijft in stand. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.