Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2483

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
02.116615.25 en 20.002115.23 (TUL)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 420bis Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor witwassen van €340.000 met gevangenisstraf van 12 maanden

Op 14 april 2025 werd verdachte aangehouden als bestuurder van een auto met een verborgen ruimte waarin €340.000,00 in een boodschappentas werd aangetroffen. Verdachte bekende dat hij wist van het geld, maar stelde dat het slechts om €50.000 ging. De rechtbank achtte dit ongeloofwaardig vanwege wisselende verklaringen en bewijs uit telefoongesprekken die duidden op betrokkenheid bij criminele activiteiten.

De rechtbank concludeerde dat verdachte wist dat het geld afkomstig was uit een misdrijf en verklaarde hem wettig en overtuigend schuldig aan witwassen. De strafbaarheid werd niet betwist en er waren geen omstandigheden die strafuitsluiting rechtvaardigden.

De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk, maar de rechtbank legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden op, mede vanwege de ernst van het feit en het grote bedrag. Verdachte had geen voldoende proceshouding getoond en nam geen echte verantwoordelijkheid.

Daarnaast werd het geldbedrag verbeurd verklaard en de auto onttrokken aan het verkeer. Ook werd een eerdere voorwaardelijke straf tenuitvoer gelegd vanwege een nieuw strafbaar feit tijdens de proeftijd.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 3 april 2026.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 12 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor witwassen van €340.000, met verbeurdverklaring van het geld en onttrekking van de auto aan het verkeer.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02.116615.25 en 20.002115.23 (TUL)
Vonnis van de meervoudige kamer van 3 april 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. I. Azarkan, advocaat te Roosendaal.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. G.W. van der Burg en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een geldbedrag van € 340.000,00 heeft witgewassen.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich voor wat de bewezenverklaring betreft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, al zou het maximaal om € 50.000,00 gaan.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 14 april 2025 bestuurder was van een auto waarin in de kofferbak een verborgen ruimte zat met daarin een boodschappentas met € 340.000,00. Er valt weliswaar geen rechtstreeks verband te leggen met een bepaald misdrijf, maar op grond van de hoeveelheid geld, de verpakkingswijze, de wijze van vervoer en de verklaring van verdachte op zitting kan het niet anders zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.
Verdachte heeft op de zitting bekend dat hij wist dat er een geldbedrag in de verborgen ruimte van de auto zat. Volgens verdachte had hij van iemand in de buurt de klus gekregen om een geldbedrag op te halen. Hij wist dat zijn broertje een auto had met een verborgen ruimte in de kofferbak. Hij heeft de auto geleend en is daarmee naar Amersfoort gereden. Daar kreeg hij het geldbedrag overhandigd in een boodschappentas, die hij vervolgens samen met een ander in de verborgen ruimte heeft gelegd. Op het moment dat verdachte werd staande gehouden door de politie was hij onderweg naar Bergen op Zoom om dit geldbedrag af te geven. Verdachte dacht dat het ging om een bedrag van € 50.000,00; dat was hem zo verteld.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte geweten dat hij een geldbedrag ging ophalen dat van misdrijf afkomstig was gelet op de door hemzelf genoemde omstandigheden. De verklaring van verdachte over de hoogte van het bedrag schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde. Allereerst heeft verdachte deze verklaring pas voor het eerst op de zitting afgelegd. Bovendien constateert de rechtbank dat zijn verklaring op details steeds wisselde wanneer zij verdachte nadere vragen stelde. Zo verklaarde verdachte wisselend over hoe de boodschappentas in de verborgen ruimte terecht was gekomen en welke verrichtingen hij daarbij had gedaan. Ook verklaarde verdachte eerst dat de telefoon die door de politie is onderzocht niet van hem was, maar gaf hij dit later toch toe. Van belang is dat uit de gesprekken in de telefoon van verdachte blijkt dat hij zich eerder bezighield met de handel in drugs en daarnaast is op zijn telefoon een afbeelding aangetroffen van een zogenaamde token. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat dergelijke tokens in het criminele circuit worden gebruikt als identificatiemiddel bij een overdracht. Naar het oordeel van de rechtbank is het gelet op deze omstandigheden volstrekt onaannemelijk dat verdachte een klus zou hebben gekregen waarbij aan hem € 290.000,00 meer is meegegeven dan hem werd verteld. De rechtbank gaat er daarom van uit dat verdachte wist dat het om € 340.000,00 ging.
Concluderend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte € 340.000,00 voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat geldbedrag van misdrijf afkomstig was.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 14 april 2025 te Etten-Leur een geldbedrag ter hoogte van € 340.000,00 voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zestien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt in strafmatigende zin rekening te houden met de proceshouding van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Zo heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd en was aan hem toegezegd dat het ging om een bedrag van € 50.000,00. Daarnaast wordt verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft een baan (in de zorg), een woning en een beperkt strafblad. Daarnaast is hij mantelzorger van zijn ouders. Gelet hierop wordt verzocht aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft € 340.000,00 witgewassen. Witwassen is een ernstig feit dat in niet te onderschatten mate bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit. Het leidt ertoe dat uit misdrijf verkregen geld een schijnbaar legale herkomst krijgt. Dit tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.
Gelet op het forse geldbedrag en vanuit het oogpunt van generale preventie is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van langere duur op zijn plaats is. De rechtbank ziet in de proceshouding of persoonlijke omstandigheden van verdachte geen reden om hiervan af te wijken. De rechtbank heeft immers hiervoor geoordeeld dat zij de bekennende verklaring van verdachte op een belangrijk punt niet geloofwaardig acht. Zij is dan ook van oordeel dat verdachte geen echte verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

7.Het beslag

De verbeurdverklaring
Het geldbedrag is vatbaar voor verbeurdverklaring. Gebleken is dat het onder verdachte in beslag is genomen en dat het feit is begaan met betrekking tot het geldbedrag.
De onttrekking aan het verkeer
De personenauto is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat het feit is begaan met de auto. Verder is die van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

8.De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden die aan verdachte is opgelegd bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 april 2025 ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c en 420bis van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
witwassen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 12 maanden;
Beslag
- verklaart verbeurd het volgende voorwerp: een geldbedrag van € 340.000,00 (Omschrijving: PL2000-2025094702-G2849351, ibn 14-04-2025);
- verklaart aan het verkeer onttrokken het volgende voorwerp: 1 STK Personenauto
[kenteken] (Omschrijving: PL2000-2025094702-G2718032, Grijs, merk: Fiat);
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij arrest van 5 april 2024 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 20-002115-23
ten uitvoer zal worden gelegd, te weten
twee maanden gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, en mr. R.J.H. de Brouwer en mr. P.K.J. van der Wal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C.L.J. Luijten, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 april 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij, op of omstreeks 14 april 2025 te Etten-Leur, althans in Nederland, (van) een geldbedrag ter hoogte van €340.000,-, althans een of meerdere geldbedragen, althans een of meer voorwerpen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
( art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht )