Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande recreatiewoning uit 1996 met een gebruiksoppervlakte van 107 m² en een perceel van 369 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2022 vast op €374.000, waarop ook de aanslag onroerendezaakbelasting 2023 is gebaseerd. Belanghebbende betwist deze waarde en verzoekt om een lagere vaststelling van €274.000.
De rechtbank beoordeelt de waardebepaling aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de heffingsambtenaar referentiewoningen gebruikte die voldoende vergelijkbaar zijn. De taxatiematrix leidt tot een waarde van ruim €485.000, waar correcties voor verschillen in oppervlakte en bijgebouwen zijn toegepast. Belanghebbendes argument dat de ligging slechter is door een naastgelegen fabriekshal wordt niet gevolgd, omdat dit subjectief is en niet aannemelijk is gemaakt dat het zonlicht substantieel minder is.
De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Belanghebbende maakt aanspraak op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar aangezien het financiële belang minder dan €1.000 bedraagt en de termijn met circa zeven maanden is overschreden, volstaat de constatering van overschrijding zonder vergoeding.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, de aanslag en beschikking blijven in stand, en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.