De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 3 april 2026 de ontnemingszaak tegen betrokkene, die eerder veroordeeld was voor medeplegen van invoer van cocaïne. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot € 80.000,-, gebaseerd op chatberichten en een politie-rapport.
De verdediging betwistte dat betrokkene daadwerkelijk geld had ontvangen en stelde dat de vordering ook gebaseerd was op strafbare feiten waarvoor betrokkene niet was veroordeeld. De rechtbank oordeelde dat het voordeel aannemelijk was, gelet op het vonnis in de hoofdzaak en de chatberichten waarin bedragen van € 33.125,-, € 34.500,- en € 12.000,- werden genoemd, samen bevestigend € 80.000,-.
De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 80.000,-, maar hield rekening met een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer twaalf maanden. Op grond van vaste jurisprudentie werd het ontnemingsbedrag verminderd met € 5.000,- tot € 75.000,-. Betrokkene werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de staat, met een gijzelingstermijn van 750 dagen bij niet-betaling.
De vordering van de officier van justitie werd voor het overige afgewezen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.