Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2511

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
02-170176-20 ontneming
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511b SvArt. 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese UnieArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit medeplegen invoer cocaïne

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 3 april 2026 de ontnemingszaak tegen betrokkene, die eerder veroordeeld was voor medeplegen van invoer van cocaïne. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van €93.035,-, gebaseerd op chatberichten en een politierapport.

De verdediging betwistte dat betrokkene de genoemde bedragen had ontvangen en stelde dat het PGP-account niet door hem werd gebruikt. Tevens werd aangevoerd dat de redelijke termijn was overschreden. De rechtbank oordeelde dat de schuldvraag in deze ontnemingsprocedure niet opnieuw kan worden heropend en baseerde zich op het eerdere vonnis en het politierapport.

Uit de bewijsmiddelen bleek dat betrokkene €93.035,- had verdiend aan de invoer van 50 en 40 kilogram cocaïne via twee schepen. De rechtbank stelde vast dat de genoemde bedragen daadwerkelijk aan betrokkene waren uitbetaald. De redelijke termijn werd vastgesteld op vier jaar, waarbij een overschrijding van ongeveer twaalf maanden werd geconstateerd.

Op grond van vaste jurisprudentie matigde de rechtbank het ontnemingsbedrag met 10%, met een maximum van €5.000,-, waardoor het terug te betalen bedrag op €88.035,- werd vastgesteld. Betrokkene werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de staat, met een gijzelingstermijn van 880 dagen bij niet-betaling.

Uitkomst: Betrokkene wordt veroordeeld tot betaling van €88.035,- als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel met een gijzelingstermijn van 880 dagen bij niet-betaling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-170176-20
vonnis van de rechtbank d.d. 3 april 2026
in de ontnemingszaak tegen
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
raadsvrouw mr. S. Splinter, advocaat te Rotterdam.

1.De procedure

De officier van justitie heeft de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd tot een bedrag van € 93.035,-.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 februari 2026. Voorafgaand aan de zitting hebben de officier van justitie, mr. C.F.J. Wiegant, en de verdediging hun standpunten kenbaar gemaakt middels conclusies van antwoord, repliek en dupliek.

2.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat vast is komen te staan dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van invoer van cocaïne op twee verschillende momenten en dat hij in verband daarmee in totaal een voordeel heeft behaald van € 93.035,-. De officier van justitie heeft daarom een ontnemingsvordering ingediend ter hoogte van voormeld bedrag. De ontnemingsvordering is gebaseerd op de bedragen die betrokkene heeft ontvangen in verband met zijn aandeel bij de invoer van cocaïne, zoals die volgen uit de chatberichten. Hieraan ligt het rapport van de politie met betrekking tot de berekening van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) ten grondslag. De officier van justitie stelt zich voorts op het standpunt dat de redelijke termijn niet is overschreden, nu uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij de bepaling van de (duur van de) redelijke termijn rekening kan worden gehouden met de ingewikkeldheid van de zaak, wat in dit geval een overschrijding van het uitgangspunt van twee jaar rechtvaardigt.

3.Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de betalingsverplichting op nihil moet worden gesteld. Daartoe is aangevoerd dat betrokkene niet de gebruiker was van het PGP-account [account] was en dat hij de door de officier van justitie benoemde geldbedragen niet heeft ontvangen. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden.

4.Het oordeel van de rechtbank

4.1
De grondslag van de ontneming
Het Openbaar Ministerie heeft het gevorderde ontnemingsbedrag vastgesteld met toepassing van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Artikel 36e lid 2 Sr kan worden toegepast indien veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld of andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. Bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het om het vaststellen van de aannemelijkheid van het voordeel dat betrokkene heeft genoten.
De rechtbank is van oordeel dat hieraan is voldaan en overweegt daartoe als volgt.
Betrokkene is bij vonnis van deze rechtbank van 26 april 2023 voor onder meer het meermalen medeplegen van invoer van cocaïne veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf. Uit het vonnis in de hoofdzaak blijkt dat betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan. De rechtbank is in het vonnis onder meer ingegaan op het door de verdediging gevoerde verweer met betrekking tot het PGP-account [account] . In de ontnemingsprocedure is geen ruimte voor heropening van de discussie over de schuldvraag.
De rechtbank ontleent aan de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals deze zijn opgenomen in het vonnis in de hoofdzaak, het oordeel dat betrokkene voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr heeft genoten.
4.2
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij het vaststellen van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank als uitgangspunt voornoemd vonnis en het rapport en gebruikt deze tot het bewijs.
Vast is komen te staan dat betrokkene zich binnen een crimineel samenwerkingsverband schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de invoer van 50 kilogram cocaïne op de [schip 1] en 40 kilogram cocaïne op de [schip 2] . Uit chatgesprekken volgt dat hij € 58.535,- en € 34.500,- zou krijgen. Uit chatberichten blijkt verder dat, anders dan door de verdediging is gesteld, de genoemde geldbedragen wel degelijk aan betrokkene zijn uitbetaald. Zo wordt er gesproken over de prijs en over het ophalen van het geld, terwijl niet is gebleken dat dit niet heeft plaatsgevonden. Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel sluit de rechtbank dan ook aan bij de berekening zoals die is gemaakt in het rapport. Betrokkene heeft in totaal € 93.035,- verdiend aan de invoer van beide partijen cocaïne. Niet is gebleken dat verdachte hiervoor kosten heeft gemaakt. De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat betrokkene heeft genoten daarom op € 93.035,-.
4.3
Vaststelling ontnemingsbedrag
De rechtbank stelt het geschatte bedrag vast op € 93.035,-.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de redelijke termijn als volgt. Op grond van artikel 47 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (HGEU) en artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient betrokkene binnen een redelijke termijn te worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 31 maart 2021, omdat betrokkene op dat moment bekend is geworden met het onder hem gelegde conservatoir beslag en daarmee tevens met de mogelijkheid dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zou kunnen worden gemaakt. Tot dit vonnis is een periode van ongeveer vijf jaren verstreken.
Als uitgangspunt geldt dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Er is in deze zaak sprake van bijzondere omstandigheden, namelijk dat afdoening van de ontnemingszaak afhankelijk was van de termijn die met behandeling van de strafzaak was gemoeid en het feit dat de ontnemingszaak, ingevolge artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering, binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kon worden gemaakt. De officier van justitie heeft op 24 juni 2024 de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt, nadat de rechtbank op 26 april 2023 vonnis heeft gewezen in de hoofdzaak. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een redelijke termijn van een langere periode dan twee jaar gerechtvaardigd is. De rechtbank stelt de redelijke termijn in deze zaak daarom op vier jaren.
Dit betekent dat de redelijke termijn met ongeveer twaalf maanden is overschreden. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt als richtsnoer dat bij een overschrijding van de redelijke termijn tot twaalf maanden een matiging van 10% passend is, maar dat de vermindering bij ontnemingszaken in beginsel niet meer dan € 5.000,- bedraagt. De rechtbank sluit daarbij aan.
De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op € 88.035,- en zal betrokkene veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de staat. De vordering van de officier van justitie zal de rechtbank voor het overige afwijzen.

5.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6.De beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 93.035,-.
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van
€ 88.035,-, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op
880 dagen.
- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Dekker, voorzitter, en mrs. E.G.F. Vliegenberg en A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. van Biert, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 april 2026.