De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 3 april 2026 de ontnemingszaak tegen betrokkene, die eerder veroordeeld was voor medeplegen van invoer van cocaïne. De officier van justitie vorderde ontneming van €837.523,-, gebaseerd op chatberichten en een politierapport over de verkoopopbrengsten van cocaïnepartijen op twee schepen.
De verdediging betwistte de hoogte van de vordering en stelde dat betrokkene geen leidende rol had en slechts €43.000,- had verdiend. Ook werd aangevoerd dat niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat betrokkene betrokken was bij een eerder transport, mede op grond van een sepotbeslissing in een andere zaak.
De rechtbank stelde vast dat betrokkene voordeel had genoten uit de verkoop van cocaïne van twee schepen, waarbij de totale opbrengst werd berekend op €1.425.045,-. Gezien de verschillende rollen binnen het criminele samenwerkingsverband werd een winstaandeel van 30% aan betrokkene toegekend, wat resulteerde in een ontnemingsbedrag van €427.513,50.
De rechtbank hield rekening met een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer twaalf maanden, wat leidde tot een korting van €5.000,- op het terug te betalen bedrag. De ontnemingsvordering werd daarom vastgesteld op €422.513,50, waarvan betaling aan de staat werd opgelegd. De vordering voor het overige werd afgewezen.