De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 3 april 2026 de ontnemingszaak tegen betrokkene, die eerder veroordeeld was voor medeplegen van invoer van cocaïne. De officier van justitie vorderde ontneming van € 50.000,-, gebaseerd op chatberichten en een rapport van de politie over het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De verdediging betwistte de hoogte van het bedrag en stelde dat niet vaststaat dat betrokkene daadwerkelijk het volledige bedrag heeft ontvangen. Ook werd een overschrijding van de redelijke termijn aangevoerd. De rechtbank stelde vast dat betrokkene € 25.000,- heeft verdiend en ontvangen voor zijn aandeel bij de invoer van 50 kilogram cocaïne, maar onvoldoende bewijs was voor het ontvangen van eenzelfde bedrag voor een tweede partij van 6 kilogram.
De redelijke termijn werd vastgesteld op vier jaar vanwege de complexiteit en samenhang met de strafzaak, waardoor een overschrijding van ongeveer twaalf maanden ontstond. De rechtbank matigde het ontnemingsbedrag met 10% tot € 22.500,- en veroordeelde betrokkene tot betaling van dit bedrag aan de staat. De overige vorderingen werden afgewezen.